De voedingsspanning van de gloeibougies wordt verzorgd door twee voorgloeirelais. Beide relais worden door de DDE-regeleenheidmaster aangestuurd.
De gloeibougies zijn uitgevoerd als staafgloeibougies en parallel geschakeld. De cilinderindeling voor de beide relais is als volgt:
De voorgloeitijd is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur en de accuspanning en wordt via de aanduiding voorgloeien/DDE weergegeven.
Beneden 5 °C wordt minimaal 4 seconden voorgegloeid, met een teruglopende temperatuur neemt de voorgloeitijd toe.
Na het starten van de motor wordt bij temperaturen beneden 51 °C nagegloeid, om het stationair toerental en de uitlaatgasemissie te verbeteren. De tijdsduur is afhankelijk van de karakteristiek, bij 20°C bijvoorbeeld wordt nog 80 s nagegloeid.
Als na beëindiging van de voorgloeitijd de motor niet wordt gestart en het contact ingeschakeld blijft, wordt nog maximaal 6 seconden doorgegloeid.
De DDE-regeleenheidmaster herkent een kortsluiting/onderbreking bij de aansturing van de relais (storingstypen "aansturing kortsluiting...", "aansturing Onderbreking..."). Als een storing te wijten is aan de gloeibougies, aan een gloeirelais of aan de voedingsspanning van een gloeirelais ontvangt de DDE-regeleenheidmaster via de signalen S_GRS1 of S_GRS2 een storingsmelding van het betreffende gloeirelais (storingstype "storing voorgloeisysteem". In het geval van een defect worden de storingen 3505 "Voorgloeisysteem 1" of 3506 "Voorgloeisysteem 2" in het geheugen opgeslagen.