Algemene functies

 

ABS-veiligheidslamp

De ABS-veiligheidslamp gaat ca. 2 seconden branden (lampencontrole) vanaf contactslotstand 2 en dooft aansluitend bij een storingsvrij ABS-systeem.

Als de ABS-veiligheidsschakeling een storing registreert, wordt het ABS-systeem uitgeschakeld en gaat de ABS-veiligheidslamp branden.

Als de storing bij de volgende herstart niet meer actueel is, gaan beide lampen na de lampencontrole uit.

Opmerking

Tijdens de diagnose (communicatie met de tester) wordt de ABS-veiligheidslamp permanent aangestuurd.

Spanningsvoeding ABS-regeleenheid

De plusvoeding van de regeleenheid vindt vanaf contactslotstand 2 plaats via het DME-hoofdrelais. Na "Ontsteking UIT" blijft de spanning nog ca. 5 seconden aanwezig (DME-hoofdschakeling).

De massaverbinding wordt via twee massakabels tot stand gebracht.

Toerentalsignaaluitgangen

De wieltoerentalsignalen worden door de ABS-regeleenheid via de vier toerentalsensoren geregistreerd, geƫvalueerd en aan andere deelnemers, b.v. de IKE (snelheidsmetersignaal) of de EDC, ter beschikking gesteld.

De toerentaluitgangssignalen zijn bloksignalen met een costante amplitude (Low-sterkte < 1 V, High-sterkte > 11 V), de frequentie is afhankelijk van de wieltoerentallen en ligt tussen de 0...1700 Hz (0...250 km/h).

Remlichtschakelaar

Het remlichtschakelaarsignaal dient als redundantiesignaal voor het herkennen van een ingeleide remprocedure. Hierdoor wordt een verbetering van het regelcomfort bereikt.

Storingen in het remlichtschakelaarcircuit worden weliswaar in het storingsgeheugen opgeslagen, de ABS-veiligheidscontrolelamp wordt echter bij het optreden van een storing niet aangestuurd.