De opvoerpomp van de eenheid wordt bij een ASC/DSC-regeling direct door de regeleenheid aangestuurd met plus en min.
Gelijktijdig met het gaan draaien van de pomp transporteert zij remvloeistof uit het remvloeistofreservoir van de tandemhoofdremcilinder naar een ruimte tussen twee zuigers van de opvoerplunjereenheid.
Vanuit deze ruimte loopt een tweede leiding terug naar het remvloeistofreservoir. De in de retourleiding gemonteerde sproeier maakt de noodzakelijke drukopbouw mogelijk(stuwdrukpricipe).
Een drukbegrenzingsklep (DBV) in de pomp voorkomt het oplopen van de pompdruk tot boven de 15 bar. Als de op de DBV ingestelde druk wordt overschreden, opent de klep hydraulisch en in de pomp ontstaat eenbypass. Hierdoor is het verder oplopen van de druk niet meer mogelijk.