De DME-regeleenheid berekent op grond van het toerental, het luchtgewicht, de stand van de gasklep, de lambdasonde spanning, de motor- en aanzuigluchttemperatuur, het correcte inspuittijdstip. Een mengselverandering wordt via de openingsduur van de inspuitventielen bereikt. Ook met de accu- resp. boordnetspanning wordt bij de berekening van het inspuitmoment rekening gehouden, daar de aantrek- en lostijden van de inspuitventielen bij dalende spanning langer worden.
Elk inspuitventiel wordt door een eigen eindtrap aangestuurd. Dit maakt een nauwkeurige dosering van de inspuithoeveelheid en een snelle reactie bij verandering van de belasting mogelijk.
Vanaf het moment dat het startproces wordt ingeleid, wordt er per cilinder selectief 1 x per arbeidscyclus (2 krukasomwentelingen) ingespoten.
Het inspuittijdstip (ti) komt tot stand uit de geprogrammeerde start-basisinspuithoeveelheid en de correctie-grootheden uit de ingangs-signalen van de koelwater- en aanzuigluchttemperatuur. De aansturing van de cilinders wordt door het referentiemerkteken (krukas-impulsgever) bepaald.
DME M5.2 heeft een Cylinder Individual Fuel Injection (= afzonderlijke benzine-inspuiting per cilinder) CIFI. CIFI wil zeggen een afzonderlijke benzine-inspuiting per cilinder. Het wordt gegarandeerd, dat de inspuiting van elke cilinder is afgelopen, voordat de inlaatklep opent. Op deze manier wordt er een optimaal benzine-luchtmengsel en daardoor een zeer goede verbranding met een laag brandstofverbruik verkregen.
Wanneer er een storing in het ontstekings- of inspuitsysteem ontstaat, kan de inspuiting van elke cilinder individueel worden afgeschakeld. Deze storingen worden dan ook in het storingsgeheugen genoteerd.