Om het optimale rendement van de katalysatoren te handhaven, wordt voor de verbranding de ideale lucht-benzine-verhouding (lambda = 1) nagestreefd. Als sensor worden 2 verwarmde lambdasonden toegepast (één vóór, en één na de katalysator), die de resterende zuurstof in het uitlaatgas meten en overeenkomstige spanningswaarden aan de regeleenheid doorgeven. Daar wordt de mengselsamenstelling, indien noodzakelijk, overeenkomstig gecorrigeerd, doordat de inspuittijden worden gewijzigd. Via de lambdasonde na de katalysator wordt het correct functioneren van de katalysator bewaakt (Converteringsgraad).
Daar er voor het goed werken van de lambdasonden een temperatuur van ca. 300 graad Celsius noodzakelijk is, worden de verwarmingsweerstanden in de lambdasonden met spanning verzorgd.