Het instrumentenpaneel (basis) bevat voor de standaardmontage twee businterfaces via welke de informatieverbinding (dataverbinding/serieel) naar de aangesloten regeleenheden tot stand wordt gebracht.
Het zijn de
Nog een businterface is de verbinding met de automatische transmissie zolang het instrumentenpaneel nog niet voorzien is van een CAN-interface. Bij auto's met versnellingsbak wordt via deze aansluiting de status van de achteruitversnellingsschakelaar ingelezen.
In een niet-vluchtig geheugen (de gegevens blijven bij een losgetrokken voeding behouden) zijn codeergegevens opgeslagen die de functieomvang van het instrumentenpaneel bepalen.
Tot de omvang respectievelijke takenpakket behoort bijvoorbeeld het model van de auto en de taalvariant van het land.
Onderstaande vier gevallen geven het proces weer onder welke omstandigheden welke maatregelen moeten worden uitgevoerd om een probleemloos verwisselen van het instrumentenpaneel te waarborgen.
Maatregel |
Resultaat |
Opmerking |
|---|---|---|
instrumentenpaneel vervangen (nieuw onderdeel) |
Bij ingeschakelde ontsteking wordt het indicatiepunt gezet |
Daar het chassisnummer in de licht-check-moduul niet hetzelfde is als het chassisnummer in het instrumentenpaneel, wordt het indicatiepunt gezet. |
instrumentenpaneel opnieuw coderen |
|
instrumentenpaneel volgens de centrale codeersleutel coderen |
Chassisnummer in het instrumentenpaneel coderen |
|
Zolang het chassisnummer niet in het instrumentenpaneel is gecodeerd, vindt zowel in het instrumentenpaneel als in de LCM-regeleenheid een telling van de totale afgelegde afstand niet plaats (alleen dagkilometrage). |
Schakel de ontsteking uit en weer in |
De indicatie dooft, het instrumentenpaneel neemt van de LCM-regeleenheid de totale afstand (kilometerstand) en de SIA-gegevens over. |
De informatie-uitwisseling tussen het instrumentenpaneel en de LCM-regeleenheid voor de gemeenschappelijke gegevensopslag (SIA-gegevens, totaal afgelegde afstand, chassisnummer enz.) is nu weer in orde. |
Maatregel |
Resultaat |
Opmerking |
|---|---|---|
LCM vervangen (nieuw onderdeel) |
Bij ingeschakelde ontsteking wordt het indicatiepunt gezet |
Daar het chassisnummer in de licht-check-moduul niet hetzelfde is als het chassisnummer in het instrumentenpaneel, wordt het indicatiepunt gezet. |
LCM opnieuw coderen |
|
LCM volgens de centrale codeersleutel coderen |
Chassisnummer in de LCM coderen |
|
Zolang het chassisnummer niet in de LCM is gecodeerd, vindt in de LCM geen telling van de totaal afgelegde afstand plaats |
Schakel de ontsteking uit en weer in |
De indicatie dooft, de LCM-regeleenheid neemt van het instrumentenpaneel de totale afstand (kilometerstand) en de SIA-gegevens over. |
De informatie-uitwisseling tussen het instrumentenpaneel en de LCM-regeleenheid voor de gemeenschappelijke gegevensopslag (SIA-gegevens, totaal afgelegde afstand, chassisnummer enz.) is nu weer in orde. |
Wissel de beide regeleenheden alleen dan gelijktijdig om, wanneer dit onvermijdelijk is (opgeslagen kilometerstand gaat onherroepelijk verloren).
Opmerking
Maak de klemmen van de accu los!
Maatregel |
Resultaat |
Opmerking |
|---|---|---|
instrumentenpaneel en LCM bij losgenomen accuklemmen vervangen (nieuwe onderdelen) |
Bij ingeschakelde ontsteking wordt het hanteringspunt ingesteld en de totale afgelegde weg (kilometerstand) staat op nul. |
De vorige totale kilometerstand is onherroepelijk verloren. |
instrumentenpaneel en LCM coderen |
|
instrumentenpaneel en LCM volgens de centrale codeersleutel coderen |
Chassisnummer in het instrumentenpaneel en de LCM coderen |
|
Zolang het chassisnummer niet gecodeerd is, vindt in het instrumentenpaneel en in de LCM-regeleenheid een telling van de totaal afgelegde afstand plaats. |
Schakel de ontsteking uit en weer in |
Het indicatiepunt dooft, de LM neemt van het instrumentenpaneel de totaal afgelegde kilometers (kilometerstand) en de SIA-gegevens over. |
De informatie-uitwisseling tussen het instrumentenpaneel en de LCM voor het gemeenschappelijk opslaan van de gegevens (SIA-gegevens, totaal afgelegde afstand, chassisnummer etc.) is nu weer in orde. |
Opmerking
Het bij wijze van proef omwisselen van één van beide regeleenheden is weliswaar in principe mogelijk, maar moet als het kan toch worden vermeden.
Maatregel |
Resultaat |
Opmerking |
|---|---|---|
Bij wijze van proef wordt een instrumentenpaneelregeleenheid of LCM-regeleenheid uit een ander auto ingebouwd. |
Bij ingeschakelde ontsteking wordt het indicatiepunt gezet en het instrumentenpaneel gaat verder met het opnemen van de totale afgelegde afstand (kilometerstand). |
Zolang het chassisnummer verschillend is, wordt het totaal afgelegde aantal kilometers alleen nog maar in het instrumentenpaneel geteld. Er vindt geen afstemming van de totaal afgelegde afstand met de LCM plaats. |
Het volgende pakket wordt aangegeven of voor een functie gebruikt:
Aanduiding/ functie |
Benodigd signaal |
|---|---|
Snelheidsaanduiding |
Wegsignaal tw van de /ABS-/ASC-/DSC-regeleenheid |
Toerenteller |
Toerentalsignaal TD van motorregeleenheid (afhankelijk van de gecodeerde motorvariant wordt het signaal via een afzonderlijke draad of door de CAN-bus gelezen) |
Brandstofverbruiksmeter |
Inspuitsignaal ti van motorregeleenheid/ toerentalsignaal TD van motorregeleenheid/ afstandssignaal tw van /ABS/ASC/DSC-regeleenheid (afhankelijk van de gecodeerde motorvariant wordt het signaal via een afzonderlijke draad of door de CAN-bus gelezen) |
Brandstofmeter |
Weerstandswaarde van de beide hefboomopnemers (analoge ingang) |
Koelvloeistoftemperatuurmeter |
Weerstandswaarde van koelvloeistoftemperatuursensor (temperatuursafhankelijke weerstand)/ toerentalsignaal TD van motorregeleenheid (afhankelijk van de gecodeerde motorvariant wordt het signaal via een afzonderlijke draad of door de CAN-bus gelezen) |
Service-intervalindicator |
Inspuitsignaal ti van motorregeleenheid |
Terugstellen van de service-intervalindicator |
Kabelverbinding naar de diagnosestekkeraansluiting |
Kilometerteller |
Wegsignaal tw van de /ABS-/ASC-/DSC-regeleenheid |
Dagteller |
Wegsignaal tw van de /ABS-/ASC-/DSC-regeleenheid |
Buitentemperatuurmeter met ijzelwaarschuwing (+3oC) |
Weerstandswaarde van de buitentemperatuursensor/ wegsignaal tw van de /ABS-/ASC-/DSC-regeleenheid |
Tekstbalk |
Eenvoudig tekstdisplay bij basis-BC voor buitentemperatuur, verbruik, actieradius, gemiddelde snelheid via de stuurkolomschakelaar bedienbaar. |
Het dimmen van de instrumentering |
Dimsignaal van de licht-check-moduul (LCM)/ intern signaal van de fototransistor |
Gongaansturing |
Toon 3 (T3) gong met prioriteiten met 1 kHz |
Tacho-A-signaal/uitgang |
Snelheidssignaal |
Constateren van remblokslijtage |
Weerstandswaarde van de remblokslijtagesensor en van de ringvormig aangebrachte sensorkabels (analoge plus-uitgang naar analoge massa-ingang). |
Herkenning van de achteruitversnelling (handgeschakelde bak) |
Massa van de achteruitversnellingsschakelaar |
Transmissie - programma-aanduiding (automatische transmissie) |
Informatieverbinding (gegevenskabel/serieel) van de transmissieregeleenheid |
K-bus (carrosseriebus) |
Informatieverbinding (gegevensverbinding/serieel) naar aangesloten regeleenheden |
Diagnosebus (RxD/TxD) |
Informatieverbindingen (gegevensverbinding/serieel) naar BMW servicetestsystemen |
De testfuncties de bij de types tot nu toe in de boordcomputer konden worden opgeroepen kunnen in het instrumentenpaneel worden opgeroepen.
Systeemtest (testnr. 2): De systeemtest dient voor de controle van de metereenheid met de door het instrumentenpaneel aanstuurbare elementen.
Aangestuurd worden:
De controle- en waarschuwingslampen voor
Wijzerinstrumenten: Tijdens de systeemtest wordt de aansturing van de wijzerinstrumenten gediagnostiseerd. Een elektrische storing wordt in het storingsgeheugen opgeslagen. Bovendien moet er tijdens de procedure zeer goed op worden gelet dat de wijzers, bij het eerste maal doorlopen van de schaal zonder horten en stoten en gelijkmatig over het gehele schaalgebied worden bewogen. Bij de tweede doorgang binnen een systeemtestherhaling worden de wijzerinstrumenten niet meer zo constant en vrij van rukken over hun gehele schaal bewogen. Daarbij worden nu meer de elektrische aanstuurgegevens bij verschillende weergavestanden van de wijzer gemeten.
Opvragen van testfuncties:
Alle testfuncties, behalve testnummer een en twee, zijn vergrendeld en moeten via testfunctienummer negentien worden ontgrendeld.
Procedure: Terugstelknop dagteller (linkertoets op het instrumentenpaneel) bij klem R "AAN" (ca. 5 sec.) ingedrukt houden, totdat op het display van het instrumentenpaneel "__tESt__1._" verschijnt. Door het opnieuw indrukken/loslaten binnen 1 seconde kan de betreffende test (systeemtest komt overeen met test 2 "__tESt__2._") worden gekozen. Hierna verschijnt na ca. 1 seconde de eerste subfunctie van de ingestelde test. Door het opnieuw indrukken kan de subfunctie (de systeemtest heeft geen verdere subfunctie) van de betreffende test worden doorgeschakeld. Omdat bij test 2 (systeemtest) geen subfuncties meer aanwezig zijn, wordt de systeemtest na het verschijnen van de aanduiding "__tESt__2.0" en het indrukken van de toets van de dagteller geactiveerd. Betreft het hier een vergrendelde test (test 3 tot 21), dan wordt deze bij het verschijnen van "_L_oFF" op het display even door het indrukken van de kilometerdagtellerknop de vergrendeling geopend. Daarna springt de weergave weer over op test 0, waar direct door het even indrukken de betreffende test kan worden opgeroepen.
Test nr. |
Werking |
|---|---|
1 |
Identificatie instrumentenpaneel |
2 |
Systeemtest |
3 |
SIA-gegevens |
4 |
Momentele verbruikswaarden in l/100 km en l/h |
5 |
Actieradius en bereik momenteel |
6 |
Tankinhouden |
7 |
Koelvloeistoftemperatuur, buitentemperatuur, huidig toerental, huidige snelheid |
8 |
ADC-waarden (systeemspanning, spanning hefboomopnemer links en rechts, spanning fototransistor en BVA, spanning op sensor koelvloeistof en buitentemperatuur |
9 |
Boordnetspanning aansluiting 30 in volt |
10 |
Landcode uitlezen |
11 |
Lees de eenheid uit (AM/PM, resp. mm.dd/dd.mm) etc. |
12 |
niet aangesloten |
13 |
In bedrijf stellen van akoestische signalen |
14 |
Uitlezen van de storingsbytes (zelfdiagnose) |
15 |
Weergave van de toestanden van de I/O-poorten |
16 |
vrij |
17 |
vrij |
18 |
vrij |
19 |
Ver- en ontgrendelen van testfuncties |
20 |
Invoer van de correctiefactor voor het gemiddeld verbruik |
21 |
instrumentenpaneel terugstellen (softwarereset) |
0 |
Testeinde, via deze functie kan de testmodus worden verlaten. |
Testfunctie 20 Correctiefactor voor de functie “Gemiddeld brandstofverbruik”.
Testfunctie 20 heeft vier subfuncties; 20.0 (toont de opgeslagen correctiefactor), 20.1 (maakt de verstelling van de eenheden mogelijk), 20.2 (maakt de verstelling van de tientallen mogelijk) en 20.3 (maakt de verstelling van de honderd- en duizendtallentallen mogelijk, waarbij hier alleen de getallenparen 07, 08, 09, 10, 11 en 12 mogelijk zijn). Het verstelbereik van de correctiefactor is vastgelegd tussen 0750 en 1250. Om een correctie door te voeren moet de factor op 1000 (fabrieksinstelling) zijn ingesteld, omdat anders geen nieuwe factor met de formule kan worden berekend. Als de factor op 1000 is ingesteld, dan wordt de nieuwe correctiefactor berekend door het werkelijke verbruik in liters per 100 km te delen door het aangegeven verbruik in liters per 100 km vermenigvuldigd met 1000. Worden andere maateenheden als mijlen per liter of mijlen per gallon en kilometers per liter aangegeven, dan moeten deze in liter per 100 km voor de berekening van de correctiefactor worden omgerekend. Deze nieuwe factor kan alleen met de subfuncties 20.1 tot 20.3 worden ingesteld.
Testfunctie 20 oproepen:Terugstelknop dagteller (linkertoets op het instrumentenpaneel) bij klem R "AAN" (ca. 5 sec.) ingedrukt houden, totdat op het display van het instrumentenpaneel "__tESt__1._" verschijnt. Door het opnieuw indrukken/loslaten binnen één seconde kan test 20 worden gekozen. Hierna verschijnt na ca. 1 seconde de eerste subfunctie van de ingestelde test. Door het opnieuw indrukken kan in de subfunctie van de betreffende test worden doorgeschakeld. In testfunctie 20, subfunctie 0 (20.0) wordt de ingestelde correctiefactor weergegeven. Doorsturen naar subfunctie 20.1 zet de eenheden (0-9) terug. Deze zelfstandige verandering van de eenheden kan zolang plaatshebben, tot naar de volgende subfunctie wordt verdergeschakeld het laatst gekozen cijfer wordt als correctiefactor genomen. Dit geldt ook voor subfunctie 20.2 waarbij de tientallen (0-9) terug worden gezet. In subfunctie 20.3 worden de honderd- en duizendtallen teruggezet, waarbij alleen de getallenparen 07, 08, 09, 10, 11 en 12 mogelijk zijn, zodat het geldige bereik voor de correctiefactor van 750 tot 1250 wordt aangehouden.
Voor de snelheidsaanduiding worden, al naar gelang het model van de auto, verschillende snelheidsmeters toegepast.
Het instrumentenpaneel krijgt het wegsignaal tw van het Anti-Blokkeer-Systeem (ABS)/Automatische-Stabiliteits-Controle (ASC)/Dynamische-Stabiliteits-Controle (DSC)-regeleenheid. Hiermee stuurt het instrumentenpaneel de snelheidsmeter, de kilometertotaalteller en de dagteller aan.
Het instrumentenpaneel bepaalt de snelheid uit het wegsignaal en uit het tw in het instrumentenpaneel als codeergegevens opgeslagen wegimpulsgetal (K-getal). Bovendien stelt het instrumentenpaneel een snelheidssignaal (Tacho-A ) voor de aangesloten regeleenheden ter beschikking. Op de carrosseriebus (K-bus ) wordt de snelheidsinformatie als telegram ter beschikking gesteld.
Het instrumentenpaneel gebruikt het toerentalsignaal van de motorregeleenheid (td bij benzinemotor) voor het bepalen van het toerental. De aanpassing aan de verschillende motoren gebeurt met behulp van de opgeslagen codeergegevens.
De toerenteller wordt vanaf klem 15 "AAN" door het instrumentenpaneel bij het betreffende toerentalsignaal aangestuurd. De toerentalinformatie wordt ook op de carrosseriebus (K-bus) voor andere regeleenheden ter beschikking gesteld.
Het instrumentenpaneel is vanaf 9/97 geleidelijk met een CAN-aansluiting uitgerust; in de opgeslagen codeergegevens is vastgelegd of het toerentalsignaal via de CAN-bus of via een eigen draad naar het instrumentenpaneel gaat.
Het brandstofverbruikssignaal tKVA wordt gevormd uit het inspuitsignaal van de motorregeleenheid. Door de paring met het wegsignaal komt dit overeen met het verbruik per wegeenheid (bijv. l/100 km).
Het brandstofverbruikssignaal tKVA wordt niet alleen gebruikt voor de berekening van het brandstofverbruik, maar ook voor de aansturing en daarmee de aanduiding van de service-intervalmelding.
Het instrumentenpaneel is vanaf 9/97 geleidelijk met een CAN-aansluiting uitgerust; in de opgeslagen codeergegevens is vastgelegd of het brandstofverbruikssignaal via de CAN-bus of via een eigen draad naar het instrumentenpaneel gaat.
De meting van de tankinhoud wordt verzorgd door twee tankvlotterelementen, de los van elkaar verbonden zijn met het instrumentenpaneel. Elk tankvlotterelement is met een eigen massa (analoge massa) en een sensorkabel (analoge plus) met het instrumentenpaneel verbonden. Voor het aansturen van de tankreservewaarschuwingslamp bevindt zich geen reservecontact in de niveausensor. De tankreservewaarschuwingslamp wordt afhankelijk van de tankinhoud door vergelijking met een reservedrempelwaarde ingeschakeld.
Als informatie voor de motorregeling wordt het signaal "Tankreserve" uitgegeven. Dit is gekoppeld aan de tankreservewaarschuwingslamp en wordt als controle op de werking bij het inschakelen van klem 15 (Pre-Drive-Check) ca. 2 seconden ingeschakeld.
De onderling verschillende bepalingen van het vulniveau voor elke tankhelft worden via de codeergegevens aangepast.
Het instrumentenpaneel berekent via de koelvloeistoftemperatuursensor (NTC-weerstand) de actuele koelvloeistoftemperatuur. De koelvloeistoftemperatuursensor is met een eigen massa (analoge massa) en een sensorkabel (analoge plus) met het instrumentenpaneel verbonden.
De informatie "Koelvloeistoftemperatuur" wordt via het instrumentenpaneel op de carrosseriebus (K-bus) voor andere systemen ter beschikking gesteld.
Het instrumentenpaneel is vanaf 9/97 met CAN-aansluiting uitgerust, waarin in de opgeslagen codeergegevens is vastgelegd of de koelvloeistoftemperatuur via de CAN-bus of via eigen bedrading door de koelvloeistoftemperatuursensor aan het instrumentenpaneel wordt doorgegeven.
De service-intervalmelding (SIA) attendeert de bestuurder en de werkplaats op de noodzaak van een motorolieservice en inspectie of een jaarlijkse inspectie. De inspectie-intervallen van de auto zijn gebaseerd op het verbruik. De aanduiding van de actuele service-intervalmelding heeft plaats vanaf klem 15 "AAN" tot 10 seconden na het bereiken van een motortoerental van ten minste 400/min.
De gegevens van de service-intervalmelding (SIA) worden ook in de licht-check-moduul (LCM ) opgeslagen.
De service-intervalmelding (SIA) wordt door impulsen met een gedefinieerde lengte op de service-intervalresetingang teruggeplaatst. Elke resethandeling kan afzonderlijk en onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd (service-intervalmelding [SIA]-terugsteller). De olieverversingstermijn, de inspectie op tijdbasis of/en de inspectie op basis van afgelegde afstand kan worden teruggesteld.
De aanduiding van de totaal afgelegde afstand is onderdeel van het LC-display. De actuele kilometerstand wordt vanaf aansluiting R "AAN" op het display aangegeven. Bij klem R "AAN" kan door het indrukken van de terugsteltoets voor de dagteller de kilometerstand gedurende ca. 25 seconden na het loslaten van de toets worden weergegeven. De van de gecodeerde landenversie afhankelijke eenheid (km/miles) wordt tussen de kilometerteller en de dagteller weergegeven. Op de carrosseriebus (K-bus) wordt de totaal afgelegde afstand als telegram ter beschikking gesteld.
De totaal afgelegde afstand wordt in het instrumentenpaneel en in de licht-check-moduul (LCM) opgeslagen. Als het instrumentenpaneel de totaal afgelegde afstand niet kan lezen en ook niet via de licht-check-moduul (LCM) kan bepalen, wordt "999999" als totaal afgelegde afstand weergegeven.
De aanduiding van de gereden afstand in een dag is onderdeel van het LC-display. De actuele dagkilometerstand wordt vanaf "Aansluiting R AAN" op het display aangegeven. Bij klem R "UIT" kan door het indrukken van de instrumentenpaneeltoets de kilometerstand gedurende ca. 25 seconden na het loslaten van de toets worden weergegeven. De van het gecodeerde landenversie afhankelijke eenheid (km/miles) wordt tussen de kilometerteller en de dagteller weergegeven.
Het instrumentenpaneel krijgt via de buitentemperatuursensor (NTC-weerstand) de actuele buitentemperatuur. De buitentemperatuursensor is met een eigen massa (analoge massa) en een sensorkabel (analoge plus) met het instrumentenpaneel verbonden. De buitentemperatuur wordt constant op het instrumentenpaneel weergegeven. Als de buitentemperatuur tijdens het rijden daalt tot onder + 3o C wordt, afhankelijk van de codering, een waarschuwingstoon ingeschakeld (afhankelijk van de codering gong of pieper voor een waarschuwing tegen ijzel) en de temperatuuraanduiding knippert.
De weergave-eenheid (oC/o F) wordt in de codeergegevens vastgelegd. De mogelijkheid is echter aanwezig (vanaf diagnose-index 31, zie "Diagnoseprogramma", "instrumentenpaneel", "Identificatie"), de weergave van oC naar o F en van oF naar oC om te stellen. Daarvoor moet bij ingedrukte terugsteltoets van de dagteller het contactslot van stand "1" (klem "R") in stand "0" (klem "15" en klem "R" UIT) worden gezet. Na het loslaten van de terugsteltoets van de dagteller en vanaf stand van het contactslot "1" (klem "R") is de temperatuuraanduiding veranderd. De ingestelde weergave-eenheid blijft behouden zolang er spanning staat op het instrumentenpaneel en er geen reset wordt uitgevoerd.
Het aanwijsbereik loopt van -40oC tot +50oC. Om een foutieve aanwijzing van de buitentemperatuur door invloed van motorwarmte en andere invloeden te verhinderen, wordt een stijging van de buitentemperatuur gedempt. Een dalende buitentemperatuur wordt niet gedempt.
De informatie "Buitentemperatuur" wordt door het instrumentenpaneel doorgegeven aan de carrosseriebus (K-bus). De buitentemperatuursensor wordt bij contactslotstand "0" met tussentijden van één of meerdere minuten door het instrumentenpaneel ingelezen. Hiervoor wordt het instrumentenpaneel even actief, stelt de informatie ter beschikking en schakelt daarna weer uit.
Algemeen
Alle LC-displays worden door lichtdioden (LED) in de achtergrond verlicht. De lichtdioden (LED ) verlichten vanaf de achtergrond de velden voor de service-intervalmelding (SIA) met keuzestandaanduiding, totaal afgelegde afstand met dagteller - en buitentemperatuurmeter of de functies van de boordcomputer en het veld voor de check-controlmeldingen.
Boordcomputerfuncties
Het instrumentenpaneel (basis) heeft als er geen boordcomputerfuncties zijn gepland en gecodeerd in plaats hiervan alleen de buitentemperatuurmeter.
Check-control-meldingen
Als speciale uitvoeringen (standen bij bepaalde modellen) is het instrumentenpaneel (basis) voorzien van een LC-display voor de check-controlmeldingen. De achtergrondverlichting van het symbool wordt alleen dan ingeschakeld, als er een check-controlmelding van de licht-check-moduul aanwezig is. Op het LC-display voor de check-controlmeldingen worden de storingen aan de verlichting voor het dimlicht, links en rechts, voor achterlicht links en rechts, en voor remlicht links en rechts weergegeven. Bij een defecte remlichtschakelaar worden beide remlichten als storing in de verlichting weergegeven. Als het derde remlicht defect is, wordt door de licht-check-moduul het symbool voor het rechterremlicht op het display weergegeven. Gelijktijdig optredende storingen in de verlichting leiden tot een parallelle weergave.
De melding "Waschwasser nachfüllen" wordt eveneens op het display voor de check-controlmeldingen als pictogram weergegeven. De storingsmelding voor de verlichting en de melding "Waschwasser nachfüllen" worden de carrosseriebus (K-bus) vanaf de licht-check-moduul naar het instrumentenpaneel gestuurd. De melding "Waschwasser nachfüllen" neemt een speciale plaats in het weergaveproces in. Zij blijft als de melding komt tot aan de eerste klem 15 "UIT" en gaat dan na 60 seconden uit. Een nieuwe beoordeling van de melding wordt uitgevoerd bij de eerstvolgende klem 15 "AAN".
Voor de melding "Türen offen" kunnen de vier portieren en de achterklep, kofferdeksel apart worden weergegeven. Deze meldingen worden naar de carrosseriebus (K-bus) vanaf de basismoduul op het instrumentenpaneel gestuurd.
De helderheid van het LC-display wordt via een fototransistor aangestuurd. Als de verlichting is ingeschakeld, wordt de verlichting via de fototransistor en de dimmerstand aangestuurd.
De dimmerstand voor de instrumentenverlichting en de controlelampen wordt door de licht-check-moduul (LCM) via een telegram aan de carrosseriebus (K-bus) en via de 58g-stroomdraad als belastingssignaal naar het instrumentenpaneel overgebracht.
Controle richtingaanwijzer
De controle van knipperlichten wordt met het schakelgeluid van een ingekapseld relais synchroon naar de richtingaanwijzercontrolelampen ondersteund.
Lichtwaarschuwing
De lichtwaarschuwing vindt alleen akoestisch plaats. Het voor de controle van de richtingaanwijzers in het instrumentenpaneel gemonteerde relais wordt ook voor de lichtwaarschuwing gebruikt. De lichtwaarschuwing is hoorbaar bij het voor de eerste maal openen van het bestuurdersportier en ingeschakeld parkeerlicht gedurende 8 cycli met steeds een ca. 0,5 seconde durende toon met ca. 64 Hz en een daarna volgende pauze van 0,5 seconde. Tijdens de lichtwaarschuwing wordt de controle van de richtingaanwijzers alleen via de controlelampen verzorgd.
Gordelwaarschuwing
De akoestische gordelwaarschuwing is afhankelijk van de codeergegevens en wordt door de licht-check-moduul via een telegram aan de carrosseriebus (K-bus) naar het instrumentenpaneel hiervan gestuurd. Bij de gordelwaarschuwing wordt de gongtoon 3 (T3) voor maximaal 6 seconden met onderbrekingen van ca. 1,3 seconde aangestuurd.
Waarschuwing contactsleutel
De akoestische waarschuwing contactsleutel is afhankelijk van de codeergegevens en wordt vanuit de licht-check-moduul via een telegram aan de carrosseriebus (K-bus) naar het instrumentenpaneel hiervan gestuurd. Bij de contactsleutelwaarschuwing wordt de gongtoon 3 (T3) voor maximaal 60 seconden met onderbrekingen van ca. 1,3 seconde aangestuurd.
Temperatuurwaarschuwing
De akoestische buitentemperatuurwaarschuwing wordt aangestuurd in relatie tot de via de buitentemperatuursensor geregistreerde temperatuur. Bij het overschrijden van een drempel van + 3oC is op het instrumentenpaneel met de basisuitvoering een waarschuwingstoon met ca. 2 kHz hoorbaar, de met een in het instrumentenpaneel ingebouwde pieper wordt bereikt.
Bij een instrumentenpaneel met boordcomputerfuncties wordt de temperatuurwaarschuwing verzorgt door een korte gongtoon 3 (T3).
Snelheidswaarschuwing
De snelheidswaarschuwing is afhankelijk van de codeergegevens, waarbij de snelheidswaarde waarbij gewaarschuwd wordt door het codeerprogramma moet worden geleverd. De snelheidswaarschuwing is bij de exportuitvoering "Golfstaten" wettelijk voorgeschreven.
Het instrumentenpaneel ontvangt het afstandssignaal tw van het antiblokkeersysteem (ABS) / de automatische stabiliteitscontrole (ASC) / dynamische stabiliteitscontrole (DSC)-regeleenheid.
Hieruit vormt het instrumentenpaneel het snelheidssignaal (Tacho-A) en de snelheidswaarde waarvoor het wegsignaal tw en de in het instrumentenpaneel als codeergegevens opgeslagen wegimpulsgetal (K-getal) wordt gebruikt.
Het snelheidssignaal (Tacho-A) wordt voor de aangesloten regeleenheden als signaaluitgang ter beschikking gesteld. De snelheidsinformatie uit het snelheidsmeter-A-signaal krijgen de aangesloten regeleenheden door het meten van de frequentie of de periodeduur. Op de carrosseriebus (K-bus) wordt de snelheidsinformatie als telegram ter beschikking gesteld.
De functie "Herkennen van de achteruitversnelling" is alleen actief, wanneer dit in het instrumentenpaneel overeenkomstig is gecodeerd. Wanneer het instrumentenpaneel voor handgeschakelde versnellingsbakken is gecodeerd, dan wordt de programma- en keuzehandelaanduiding voor de automatische transmissie niet weergegeven.
De informatie "Achteruitversnelling ingeschakeld" wordt via de carrosseriebus (K-bus) als telegram ter beschikking gesteld.
Wanneer het instrumentenpaneel voor een automatische transmissie is gecodeerd, dan wordt de programma- en keuzehandelaanduiding voor de automatische transmissie aangegeven.
Het instrumentenpaneel is d.m.v. een separate gegevensverbinding met de transmissieregeleenheid verbonden. Via deze gegevensdraad geeft de transmissieregeleenheid het instrumentenpaneel de informatie welke rijstand is ingeschakeld, welk rijprogramma is ingeschakeld en of de transmissie draait in het noodprogramma. Als de achteruitversnelling is ingeschakeld, wordt de melding op de K-bus ter beschikking gesteld.
De carrosseriebus (K-bus) is een van de twee informatieverbindingen (dataverbinding/serieel) via een gegevensdraad naar andere regeleenheden. De carrosseriebus wordt door het instrumentenpaneel alleen elektrisch gecontroleerd. De bewaking van de carrosseriebus gebeurt door de basismoduul (GM). Het instrumentenpaneel zorgt ook voor de verbinding van de twee bussystemen,
onder elkaar, over (gatewayfunctie).
De diagnosebus (D-bus) is een van de twee informatieverbindingen (dataverbinding/serieel) via twee kabels naar de voor diagnose geschikte regeleenheden. De diagnosebus is alleen actief, wanneer aan de diagnosestekkeraansluiting een BMW servicetestsysteem is aangesloten.
Waarschuwingslampen |
Benodigd signaal |
|---|---|
Algemene waarschuwingslamp remsysteem |
Weerstandswaarde van de remblokslijtagesensor of remvloeistofniveaumelding via de K-bus van de licht-check-moduul |
Handremcontrolelamp |
Massa van de handremschakelaar (parkeerrem) |
Veiligheidsgordelcontrolelamp |
K-busmelding van licht-check-moduul |
Brandstofreservelamp |
Weerstandswaarde van de beide hefboomopnemers (analoge ingang) |
Richtingaanwijzercontrolelampen |
K-busmelding van licht-check-moduul |
Mistlampcontrolelamp |
K-busmelding van licht-check-moduul |
Mistachterlichtcontrolelamp |
K-busmelding van licht-check-moduul |
Grootlichtcontrolelamp |
K-busmelding van licht-check-moduul |
Oliedrukcontrolelamp |
Massa van de oliedrukschakelaar |
Oliepeilwaarschuwingslamp |
K-busmelding van licht-check-moduul |
Te hoge koelvloeistoftempertuur (rood) |
Weerstandswaarde van koelvloeistoftemperatuursensor (temperatuursafhankelijke weerstand)/ toerentalsignaal TD van motorregeleenheid (afhankelijk van de gecodeerde motorvariant wordt het signaal via een afzonderlijke draad of door de CAN-bus gelezen) |
Luchtvering |
K-busmelding van luchtveringsregeleenheid |
Laadstroomcontrole |
D+ klem 61 van dynamo |
ABS-controlelamp |
Signaal van antiblokkeersysteemregeleenheid |
Airbagcontrolelamp |
Signaal (massa) van airbagregeleenheid |
Katalysatorcontrolelamp |
Signaal (massa) thermoschakelaar exportuitvoering Japan |
Check engine (uitlaatgaswaarschuwingslamp) |
Signaal (massa) van motorregeleenheid |
Voorgloeicontrolelamp (diesel) |
Signaal (massa) van motorregeleenheid |
Snelheidsregelaar controlelamp |
Signaal (massa) van regeleenheid voor snelheidsregeling |
ASC-regeling onderstel |
Signaal (massa) van ASC-regeleenheid |
Storing - automatische transmissie |
Informatiekabel van regeleenheid automatische transmissie |
Algemeen: De achtergrondverlichting van alle waarschuwingslampsymbolen alsmede de steeds ingeschakelde rijstand bij automatische transmissie met het hier bijbehorende rijprogramma wordt verzorgd door lichtdiodes.
Algemene waarschuwingslamp remsysteem: De waarschuwingslamp kan door het licht-check-moduul (LCM) worden ingeschakeld, wanneer bijv. het remvloeistofniveau door de LCM als te laag wordt gezien of het instrumentenpaneel herkent, dat de blokslijtage-indicator een kortsluiting naar massa heeft. De controlelamp wordt ook na ontsteking "AAN" als functiecontrole (Pre-Drive-Check) ingeschakeld en gaat uit, wanneer een motortoerental van minimaal 400/min wordt overschreden.
Veiligheidscontrolelamp: De veiligheidscontrolelamp wordt afhankelijk van de codering aangestuurd. Voor auto's zonder gordelslotcontact wordt deze gedurende ca. 6 seconden na aansluiting 15 "AAN" ingeschakeld.
Bij auto's met een gordelslotcontact wordt de controlelamp vanaf aansturing 15 "AAN" door een overeenkomstig K-bustelegram van de licht-check-moduul (LCM) ingeschakeld totdat het gordelcontact is geopend (veiligheidsgordelslot ingeklikt).
Brandstofreservelamp: De brandstofreservelamp wordt niet door een reservecontact in het tankvlotterelement geschakeld. Hij wordt afhankelijk van de tankinhoud door vergelijking met een reservedrempelwaarde geschakeld.
Als informatie voor de motorregeling wordt het signaal "Tankreserve" uitgegeven. Dit is gekoppeld aan de tankreservewaarschuwingslamp en wordt als controle op de werking bij het inschakelen van klem 15 (Pre-Drive-Check) ca. 2 seconden ingeschakeld.
Richtingaanwijzercontrolelampen: De richtingaanwijzercontrolelampen worden via een overeenkomstige I-bustelegram van de licht-check-moduul (LCM) aan het instrumentenpaneel elektronica (IKE) geschakeld.
Mistlampcontrolelamp: De mistlampcontrolelamp wordt via een respectievelijk I-bustelegram van het licht-check-moduul (LCM) aan het instrumentenpaneel elektronica (IKE) geschakeld.
Mistlampcontrolelamp: De mistlampcontrolelamp wordt via een respectievelijk I-bustelegram van het licht-check-moduul (LCM) aan het instrumentenpaneel elektronica (IKE) geschakeld.
Grootlichtcontrolelamp: De grootlichtcontrolelamp wordt via een respectievelijk I-bustelegram van het licht-check-moduul (LCM) aan het instrumentenpaneel elektronica (IKE) geschakeld.
Oliepeilcontrolelamp De oliepeilcontrolelamp wordt via een respectievelijk K-bustelegram van het licht-check-moduul (LCM) aan het instrumentenpaneel elektronica (IKE) geschakeld.
Als controle op de werking wordt bij het inschakelen van klem 15 (Pre-Drive-Check) de waarschuwingslamp gedurende 2 seconden ingeschakeld.
Luchtvering: De waarschuwingslamp wordt, wanneer gecodeerd, via een betreffend K-bustelegram van de luchtveringsregeleenheid (EHC) aan het instrumentenpaneel geschakeld.
Als controle op de werking wordt, als gecodeerd, bij het inschakelen van klem 15 (Pre-Drive-Check) de waarschuwingslamp gedurende 2 seconden ingeschakeld.
Luchtvering: De waarschuwingslamp wordt, wanneer gecodeerd, via een betreffend K-bustelegram van de luchtveringsregeleenheid (EHC) aan het instrumentenpaneel geschakeld.
Storing automatische transmissie: De waarschuwingslamp wordt, als de automatische transmissie is gecodeerd, via een betreffend telegram (150 baud) door de regeleenheid voor de automatische transmissie geschakeld. Via deze gegevensdraad wordt ook de ingeschakelde rijstand medegedeeld aan het instrumentenpaneel, die dan de betreffende rijstand weergeeft.
Opmerking
De onderstaande controlelampen worden direct via de betreffende stekkerpennen door het betreffende systeem aangestuurd.
Oliedrukcontrolelamp: De oliedrukcontrolelamp wordt door de oliedrukschakelaar geschakeld.
Laadstroomcontrole: De controlelamp wordt door de D+ klem 61 signaal (laadspanning ca. boordnetspanning) tegen het instrumentenpaneel geschakeld.
Parkeerwaarschuwingslamp (parkeerrem): De waarschuwingslamp wordt door een schakelaar op de parkeerrem geschakeld. Bij losgelaten handrem is de schakelaar open.
Als controle op de werking wordt bij het inschakelen van klem 15 (Pre-Drive-Check) de waarschuwingslamp gedurende 2 seconden ingeschakeld.
Airbagcontrolelamp: De controlelamp wordt door een signaal (massa) van de airbagregeleenheid geschakeld.
Controlelamp antiblokkeersysteem: De waarschuwingslamp wordt door de ABS-regeleenheid geschakeld. Daar de controlelamp ook bij een uitgevallen signaaldraad moet branden, is voor deze controlelamp een tweede signaalingang op het instrumentenpaneel aanwezig. Bij deze nieuwe ABS-regeleenheid moet deze tweede draad aan massa liggen, zodat de ABS-controlelamp brandt. De nieuwe functie, signaaldraad high (boordnetspanning) controlelamp brandt, signaaldraad low (massa) controlelamp brandt niet en signaaldraad high (hoogohmig, onderbroken) controlelamp brandt, duidt op een signaaldraad met een onderbreking. De oude functie, signaaldraad high (hoogohmig) controlelamp uit en signaaldraad low (massa) controlelamp brandt, is nog steeds mogelijk.
Katalysatorcontrolelamp (exportuitvoering Japan): De waarschuwingslamp "Te hoge temperatuur katalysator" wordt door een signaal (massa) door een thermoschakelaar in het uitlaatgasreinigingssysteem geschakeld.
Check engine (uitlaatgaswaarschuwingslamp): De waarschuwingslamp "Check engine" wordt door een signaal (massa) door de motorregeleenheid geschakeld.
Voorgloeicontrolelamp (diesel): De controlelamp "Voorgloeien" wordt door een signaal (massa) van de motorregeleenheid geschakeld.
Snelheidsregelaar inschakelcontrole: De inschakelcontrole "Snelheidsregelaar" wordt door een signaal (massa) van de regeleenheid van de snelheidsregelaar of bij dieselmotoren door de motorregeleenheid geschakeld.
Check engine (uitlaatgaswaarschuwingslamp): De waarschuwingslamp "ASC" wordt door een signaal (massa) door de motorregeleenheid geschakeld. Als het ASC is uitgeschakeld, wordt de waarschuwingslamp statisch ingeschakeld. Bij een ingeschakelde ASC dooft de controlelamp na de controle op de werking (Pre-Drive-Check) en knippert als het systeem is ingeschakeld.
Als controle op de werking wordt bij het inschakelen van klem 15 (Pre-Drive-Check) de waarschuwingslamp gedurende 2 seconden ingeschakeld.