Het instrumentenpaneel krijgt via de buitentemperatuursensor (NTC-weerstand) de actuele buitentemperatuur. De buitentemperatuursensor is met een eigen massa (analoge massa) en een sensorkabel (analoge plus) met het instrumentenpaneel verbonden. De buitentemperatuur wordt constant op het instrumentenpaneel weergegeven. Als de buitentemperatuur tijdens het rijden daalt tot onder + 3 oC wordt, afhankelijk van de codering, een waarschuwingstoon ingeschakeld (afhankelijk van de codering gong of pieper voor een waarschuwing tegen ijzel) en de temperatuuraanduiding knippert.
De weergave-eenheid (oC / oF) wordt in de codeergegevens vastgelegd. Het is echter mogelijk (vanaf diagnose-index 31 zie ”Diagnoseprogramma”, ”Instrumentenpaneel”, ”Identificatie”), de weergave-unit van oC naar oF en van oF naar oC om te zetten. Hiervoor moet met de terugsteltoets van de dagteller ingedrukt het contactslot van stand ”1” (klem ”R”) in stand ”0” (klem ”15” en klem ”R” UIT) worden gezet. Na het loslaten van de terugsteltoets van de dagteller en vanaf stand ”1” van het contactslot (klem ”R”) is de weergave van de temperatuureenheid gewijzigd. De ingestelde weergave-eenheid blijft behouden zolang er spanning staat op het instrumentenpaneel en er geen reset wordt uitgevoerd.
Het meterbereik loopt van 40 oC tot +50 oC. Om een foutieve weergave van de buitentemperatuur onder invloed van de motorwarmte en andere door de omgeving veroorzaakte invloeden te voorkomen, wordt een toenemende buitentemperatuuraflezing gedempt. Een dalende buitentemperatuur wordt niet gedempt.
De informatie ”buitentemperatuur” wordt door het instrumentenpaneel op de carrosseriebus (K-bus) gezet. De buitentemperatuursensor wordt bij stand ”0” van het contactslot binnen enkele minuten door het instrumentenpaneel ingelezen. Hiervoor wordt het instrumentenpaneel even actief, stelt de informatie ter beschikking en schakelt daarna weer uit.