Het navigatiesysteem is een extra uitvoering van het boordmonitorsysteem.
De bediening loopt via het bedieningspaneel van de boordmonitor, de routeplanning komt via de navigatiecomputer, de akoestische en optische aanwijzingen worden verzorgd door de videomoduul.
De navigatiecomputer is via een ARCNET-datakabel met de videomoduul verbonden.
De navigatiecomputer heeft geen eigen aansluiting op de diagnosebus, de diagnose wordt verzorgd via de ARCNET-datakabel en de videomoduul.
Functie vanaf klem R.
De in het achtercompartiment geplaatste navigatiecomputer is voorzien van een CD-speler, waarin een CD met een gedigitaliseerde wegenkaart wordt geplaatst.
Een GPS (satelliet) ontvanger (GPS = global positioning system) levert de actuele positie.
Bovendien ontvangt de navigatiecomputer van een magneetveldsonde informatie over de rijrichting alsmede via de ABS-regeleenheid over de afgelegde afstand.
Via het bedieningspaneel van de boordcomputer kan de gebruiker een adres invoeren, waarnaartoe de navigatiecomputer naar bepaalde door de gebruiker in gevoerde criteria (via snelweg/provinciale wegen) van de huidige plaats uit de meest gunstige route plant en een routekaart optisch weergeeft.
Tijdens de rit levert de navigatiecomputer afhankelijk van de informatie van de GPS, magneetveldsonde en de ABS-regeleenheid akoestische en optische aanwijzingen met betrekking tot de voorgestelde route, bijv. aanwijzingen m.b.t. kruisingen met de afstand tot aan de betreffende kruising, of aanwijzingen voor het op tijd invoegen etc.
Als de bestuurder deze aanwijzingen niet opvolgt, stelt de navigatiecomputer een alternatieve route voor.
Het systeem werkt alleen in het gedigitaliseerde gebied (zowel gedetailleerd als ook gedeeltelijk in kaart gebrachte gebieden) van de wegenkaart-CD
Navigatiecomputer met CD-speler
De navigatieregeleenheid is met een CD-speler in een huis ondergebracht. Het apparaat is voorzien van een EJECT-toets voor de CD alsmede twee LED's die als aanduiding voor "Power-on" en "CD-in" dienen.
In het CD-speler wordt de actuele kaarten-CD geplaatst. Het navigatiesysteem kan alleen werken met een aangebrachte CD. Als de CD correct is aangebracht, brandt de "CD-in"-LED op de navigatiecomputer. Nieuwe software wordt vanaf een software-CD, die in de speler wordt geplaatst, geladen (zie ook "software laden").
In de navigatiecomputer vindt de routeplanning plaats. De meldingen worden via de ARCNET-kabel doorgegeven aan de videomoduul, die de optische bedieningsinstructies geeft, de optische weergave van de symbolen verzorgd, en ook zorgdraagt voor de akoestische meldingen. Het navigatiesysteem wordt bediend via het bedieningspaneel van de boordmonitor.
De Power-LED brandt vanaf klem R, als er geen interne storing in de navigatiecomputer en geen storing op de ARCNET-kabel aanwezig is.
De Power-LED knippert langzaam (ca. 1 Hz), als een interne storing wordt geregistreerd, en knippert snel (ca. 3 Hz) bij een storing in de ARCNET-communicatie.
Wegenkaart-CD
De wegenkaart-CD bevat een gedigitaliseerde wegenkaart.
De werking van het navigatiesysteem is alleen met een in de speler geplaatste wegenkaart-CD mogelijk.
De gedigitaliseerde wegenkaart bevat gedetailleerd (volledig gedigitaliseerde) gebieden en gedeeltelijk in kaart gebrachte (gedeeltelijk gedigitaliseerde) gebieden.
ABS-regeleenheid/toerentalsensor
De navigatiecomputer ontvangt via twee kabels van de ABS-regeleenheid de signalen van de toerentalsensor rechts- en linksvoor.
Hieruit haalt de computer de informatie m.b.t. de afgelegde afstand en de gevolgde richtingswijziging en vergelijkt zo de positie van de auto met de positie op de kaart.
Magneetveldsonde
De magneetveldsonde is ondergebracht in de hoedenplank en levert de absolute rijrichting. Hierdoor wordt de plaats van de auto met de kaart vergeleken (voornamelijk in bochten).
Over het algemeen moet erop worden gelet dat er geen ferromagnetische materialen (ook geen paraplu) bij de hoedenplank worden neergelegd, omdat deze de werking van magneetveldsonde kunnen beïnvloeden.
GPS
Het GPS (g lobal p ositioning s ystem) levert de actuele positie. Deze bestaat uit een in de hoedenplank aangebracht satellietantenne en de GPS-regeleenheid, die de via de antenne ontvangen signalen evalueert en daaruit de exacte positie berekent.
Het systeem is vanaf klem R klaar voor gebruik.
Als de accukabels worden losgemaakt, verliest de GPS zijn in het geheugen opgeslagen informatie, ook de als laatste geregistreerde positie. Bij weer aangesloten accukabels en ingeschakelde klem R duurt het ca. 15 min tot de regeleenheid zijn actuele positie weer herkent.
Als de auto met een uitgeschakelde klem R over langere afstand wordt getransporteerd (bijv. autotrein), duurt het eveneens bij een ingeschakelde klem R en een onbegrensde satellietontvangst ca. 15 min tot de actuele positie weer bekend is. De wachttijd kan verkort worden, indien de plaats waar men zich op dat moment bevindt met de hand wordt ingevoerd.
Let erop dat er op de hoedenplank geen ferromagnetische materialen (ook geen paraplu's) liggen, omdat deze de GPS-ontvangst kunnen beïnvloeden.
Informatie betreffende de satellietontvangst
Tijdens het navigeren is de volgende informatie over de satellietontvangst mogelijk:
Satellietcontact wordt in het "GPS-logo" in de rechter bovenrand van de kaart weergegeven. Het GPS-logo is een klein zwart kwadrant, waarin naast het symbool van een wereldbol de volgende informatie kan verschijnen:
Bij het teruglopen van de directe verbinding tussen de satelliet en de auto door grote gebouwen of natuurlijke hindernissen (flats, bomen etc.) kan de ontvangst kortstondig onderbroken worden. Als dit het geval is, wordt in het GPS-logo niet meer het satellietsymbool, maar alleen nog een groene punt weergegeven.
Signaal achteruitversnelling
De navigatiecomputer ontvangt de informatie "achteruitversnelling ingeschakeld" via de uitgang van de lichtmoduul van de rechter achteruitrijlamp.
Als het stroomcircuit voor de achteruitrijlamp rechts of de gloeilamp zelf defect is, ontvangt de navigatiecomputer dus ook geen signaal bij een ingeschakelde achteruitversnelling. Betrek in dit geval ook de lichtmoduul bij het opsporen van de storing.
Achterruitverwarming
Daar het door de achterruitverwarming opgewekte magnetische veld invloed heeft op de metingen van de magneetveldsonde, ontvangt de navigatiecomputer via de I-bus en de ARCNET-kabel de informatie "achterruitverwarming IN" via de regeleenheid voor de airconditioning, om rekenkundig de storingswaarde te compenseren. Met het oog hierop moet de correcte werking van de achterruitverwarming gewaarborgd zijn.
Na reparaties aan de achterruit moet de magneetveldsonde opnieuw worden gekalibreerd.
Als de navigatiecomputer of een deel van de randapparatuur werd vervangen, is een geheel of gedeeltelijk kalibratieproces noodzakelijk om de randapparatuur en de computer op elkaar af te stemmen.
vervangen componenten |
benodigde kalibratie |
|---|---|
navigatiecomputer |
complete kalibratierit |
Magneetveldsonde |
Magneetveldsonde |
banden/wielen |
wielkalibratie |
GPS |
geen |
achterruit/achterruitverwarming |
Magneetveldsonde |
Voorwaarde
Opmerking
Tijdens de kalibratierit moeten alle verbruikers zoals achterruitverwarming, airconditioning etc. zijn uitgeschakeld.
Als het terrein niet geschikt is, wordt dit tijdens de kalibratierit door een betreffende melding op de monitor weergegeven.
In zijn algemeenheid geldt:
Procedure van de kalibratierit:
De aanwijzingen worden op de boordmonitor weergegeven.
Er moet een wegenkaart-CD zijn aangebracht.
Bij een nieuwe, nog niet gekalibreerde navigatiecomputer komt met na het kiezen van het navigatiesysteem direct in het kalibratiemenu.
Soms komt men in het kalibratiemenu, als men in de navigatie een keuze maakt: Druk de informatie - weergave huidige positie - toets "Menu" ca. 5 s in.
De kalibratierit is ingedeeld in (de afzonderlijke punten kunnen gescheiden worden gekozen):
invoer van de autogegevens
De wielbasis en de spoorbreedte van de auto moeten worden ingevoerd.
Sensortest
De volgende meldingen kunnen tijdens de sensortest op de boordmonitor verschijnen:
De sensortest is beëindigd als er een storingsmelding of "kalibratie met succes afgesloten" verschijnt.
Als de sensortest in het kader van het opsporen van een storing werd uitgevoerd, moeten deze na het opnieuw starten in het diagnoseprogramma met "sensortest uitgevoerd", of "opsporen van de storing vervolgen" worden voortgezet.
Wielkalibratie
Bij de kalibratie van de wielen wordt de wielomtrek meegedeeld aan de navigatiecomputer.
Een kalibratie van de wielen is ook noodzakelijk als een band/wiel werd verwisseld.
Let op de exacte bandenspanning.
Procedure:
Magneetveldsondekalibratie
De magneetveldsondekalibratie bestaat uit 3 delen.
Deel 1:
Hierbij moet de magneetveldsonde elke richting meten.
Daarvoor zijn er 2 mogelijkheden:
Deel 2: alleen mogelijk nadat deel 1 met succes is afgesloten
Hiervoor zijn er drie mogelijkheden (in het menu van de magneetveldsondekalibratie te kiezen)
Derde deel: achterruitverwarming (alleen mogelijk na met succes afgesloten deel 1 en deel 2)
Hierbij berekent de navigatiecomputer het door de achterruitverwarming opgewekte magnetische veld.
Procedure:
Als storing nr. 22 in het storingsgeheugen is opgeslagen, of als er een nieuwe versie van de navigatiesoftware leverbaar is, moet de stap "software laden" worden uitgevoerd.
Procedure
Voorwaarde: minimaal klem R in
Pas op!
Er moet beslist op worden gelet, dat tijdens het laden van de software, de spanning door het wisselen van de klemmen niet wordt onderbroken. Zo lang de software wordt geladen, moet minimaal klem R zijn ingeschakeld.
Diagnose
Er zijn 3 verschillende diagnoseprogramma's, een voor het bedieningspaneel van de boordmonitor, een voor de videomoduul en een voor het navigatiesysteem.
Aan het begin van het zoeken naar een storing moet in het diagnoseprogramma voor het navigatiesysteem na de identificatiebladzijde punt "1 diagnose opnieuw starten" worden gekozen.
Bij storingssymptomen, die gerelateerd zijn aan positiebepalingsstoringen, is in de meeste gevallen een uit een exact gedefinieerde proefrit bestaande sensortest noodzakelijk (exacte beschrijving en voorwaarden, zie kalibratierit). Dit wordt op de DIS weergegeven nadat het storingssymptoom is ingevoerd.
Opmerking
Het is beslist noodzakelijk het zoeken naar de storing via het invoeren van het storingssymptoom te vervolgen.
Lees de kalibratiegegevens uit
Vanaf softwareversie 4 of hoger (wordt ook op de identificatiebladzijde van het diagnoseprogramma) weergegeven, is het mogelijk via de diagnose de in de navigatiecomputer opgeslagen gegevens op te vragen. Hiermee is meteen duidelijk of de kalibratiegegevens binnen de voor E38-auto's typische waarden liggen of niet.
Als er een software is geladen, die deze functionaliteit bezit, dan is in het diagnoseprogramma onder punt 3 "servicefunctie" de keuze 2 "kalibratiegegevens lezen" aanwezig. Als deze gekozen wordt, verkrijgt men informatie over de onderstaande punten:
Als één van de gegevens niet in orde is of buiten het voor de E38-auto's kenmerkende gebied valt, biedt het diagnoseprogramma uitkomst.
Het is zeer wel mogelijk dat de auto correct gekalibreerd is, ofschoon één van de kalibratiewaarden zich buiten het voor de E38-auto's typerende gebied bevindt. Dit kan bijv. bij een niet-standaard gemonteerde banden (andere spoorbreedte) of bij accessoires die het magneetveld van de auto veranderen, het geval zijn.