Airconditioningsregeling

 

De airconditioning wordt m.b.v. de toets voor de airconditioning ingeschakeld. Het gaan branden van de functieverlichting geeft aan dat de airconditioning geactiveerd is.

De compressor schakelt alleen in, als aan de inschakelvoorwaarden is voldaan. Dan stroomt door de verdamper koude lucht naar buiten waarvan de temperatuur door het reheat-proces (weer opnieuw verwarmen) m.b.v. de warmtewisselaar op de gewenste temperatuur wordt gebracht.

Als er een mechanisch-geregelde compressor gemonteerd is, is de verdamperuitschakeltemperatuur afhankelijk van de buitentemperatuur. Stijgt de buitentemperatuur tot boven de 20 graden celsius, dan wordt de uitschakeltemperatuur met 1 graad celsius verlaagd.

Om de verdamper tegen bevriezing te beveiligen, wordt de temperatuur van de uitstromende lucht m.b.v. een sensor (verdampersensor) gecontroleerd en wordt de compressor via een magneetkoppeling aangestuurd.

Schakelvoorwaarden voor de magneetkoppeling

IN (Aan alle voorwaarden moet voldaan zijn)

UIT (Aan één van de voorwaarden moet voldaan zijn)

Klokwerking (In- en uitschakelen met een 20 s-puls)

Klem 15 in

Klem 15 uit

Koelvloeistoftemperatuur hoger dan 117 o C en lager dan 120 o C

Luchthoeveelheidschakelaar bestuurder vanuit de nulstand

Luchthoeveelheidschakelaar bestuurder in de nulstand

 

Airconditioning in (functieverlichting brandt)

Airconditioning uit (functieverlichting uit)

 

Verdampertemperatuur > 3 o C

Verdampertemperatuur < 2 o C (geregelde compressor < 1 o C)

 

Koelvloeistoftemperatuur < 117 o C

Koelvloeistoftemperatuur > 120 o C - 3 o C hysterese

 

Airco-signaal van de DME aanwezig (compressor ingeschakeld)

Volgassignaal van de DME zorgt voor een tijdelijke uitschakeling

 

Vertragingstijd 5 sec. (na bereiken van toerental > 600 1/min) verstreken

Onder minimumtoerental (400 1/min)

 

Drukschakelaar

De drieweg-drukschakelaar opent het stroomcircuit voor de elektromagnetische koppeling als de koelmiddeldruk onder de waarde voor de lagedruk blijft of de waarde voor de hogedruk overschrijdt.

Lagedruk

Middeldruk

Hogedruk

IN < 2,8 +/- 0,2 bar

IN > 20,0 +/- 1 bar

IN > 33,0 +/- 1 bar

UIT > 1,9 +/- 0,2 bar

UIT < 17,5 +/- 1 bar

UIT < 23,5 +/- 1 bar

Verdamperregeling

De verdampertemperatuurregeling wordt door een tweepunts-regelaar op de basis van een te veranderen plusschakeldrempel met 1 o K hysterese gevormd. Het koelmiddelcircuit wordt bij een verdampertemperatuur > 3 o C geactiveerd en bij een verdampertemperatuur < 2 o C bij een ongeregelde en < 1 o C bij een geregelde compressor gedeactiveerd. Hiermee wordt het bevriezen van de verdamper voorkomen.

Koelvloeistoftemperatuur

Het elektronica combi-instrument (IKE) beschikt over een koelvloeistoftemperatuursensor in het radiateurcircuit. Dit analoge sensorsignaal wordt in de IKE geanalyseerd en via de K-bus door de IHKA ingelezen.

Om het oververhitten van de motor te voorkomen, wordt door de airconditioning de koelvloeistof gecontroleerd. Bij een koelvloeistoftemperatuur boven 117 o C wordt de elektromagnetische koppeling met een 20 s-puls in- en uitgeschakeld. Als de koelvloeistoftemperatuur oploopt boven de 120 o C, wordt de elektromagnetische koppeling uitgeschakeld, tot de temperatuur weer onder de 117 o C ligt. Pas dan wordt de elektromagnetische koppeling weer voor 100% ingeschakeld.

Vollast-uitschakeling

Om de reactietijd van de motor te verlagen bij het vanuit stationair toerental volgas geven, wordt bij volgas de elektromagnetische koppeling gedurende een bepaalde tijd uitgeschakeld. De uitschakeltijd ligt al naargelang het type motor tussen de 4 en 10 sec.

Vollastvoorwaarde: snelheidsmetersignaal < 14 km/u en acceleratie

Verhoging stationair toerental

Om ervoor te zorgen dat de motor mooi rond blijft draaien en niet verslechterd wordt door de belasting van de compressor, is voor de aansturing van de DME door de regeleenheid voor de airconditioning de stuurbedrading AC en KO aanwezig.

De uitgang van de regeleenheid voor de airconditioning AC vraagt door het inschakelen van de airconditioning van de DME een toerentalverhoging. Als het signaal actief is, verhoogt de DME onafhankelijk van de elektromagnetische koppeling het stationair toerental met 110 - 200/min.

Daarnaast is ook nog een toerentalverhoging afhankelijk van de codering mogelijk.

Optie 1: Na het inschakelen van de achterruitverwarming, de aanjager in de max.-stand, het dimlicht, resp. het grootlicht.

Optie 2: Bij het registreren van een te lage spanning. Bij klem 30 < 11,4 V wordt de verhoging van het stationair toerental geactiveerd en bij klem 30 > 12,2 V gedeactiveerd.

Aansturing compressor airconditioning

De activering van de functie Airconditioning vindt plaats door het indrukken van de airconditioningtoets. Aansluitend hierop wordt het stationair toerental verhoogd. M.b.v. de uitgang DME_KO deelt de regeleenheid voor de airconditioning aan de DME mee dat de compressor voor de airconditioning wordt ingeschakeld. Op grond hiervan zorgt de DME voor het uitschakelen van de invloed hiervan, d.w.z. zij drukt de gasklep iets meer open en verhoogt daarmee gelijktijdig de inspuithoeveelheid.

Vanaf de DME vindt dan via het signaal DME_KOREL (compressorrelais) een terugmelding aan de regeleenheid voor de airconditioning plaats om de compressor van de airconditioning in te schakelen. Als aan alle voorwaarden voor het inschakelen de compressor van de airconditioning is voldaan, wordt de compressor direct door de regeleenheid aangestuurd.

Om een massieve waterproduktie bij de verdamper te voorkomen wordt na het uitschakelen van de airconditioning tijdens het rijden de compressor gedurende 15 minuten via pulsen geschakeld. Herbij wordt de temperatuur van de verdamper langzaam aangepast aan de buitentemperatuur. Bij de montage van een geregelde compressor vervalt deze pulsschakeling.

Extra ventilator snelheid 1

De snelheid 1 van de extra ventilator wordt door de airconditioning m.b.v. een relais ingeschakeld als de koppeling voor de compressor actief is en de buitentemperatuur hoger is dan 10 o C. De extra ventilator wordt uitgeschakeld als de koppeling voor de compressor is uitgeschakeld of als de buitentemperatuur lager is dan 8 o C.

Om veiligheidsredenen dwingt een thermostaatschakelaar bij temperaturen vanaf 91 o C eveneens het inschakelen van snelheid 1, onafhankelijk van de opdracht van de regeleenheid voor de airconditioning.

Extra ventilator, snelheid 2

De snelheid 2 van de extra ventilator wordt niet ingeschakeld door de regeleenheid voor de airconditioning.

Als koelvloeistoftemperatuur hoger ligt dan 99 o C of als de middeldrukschakelaar dicht is, wordt via een relais de snelheid 2 ingeschakeld.