De meting van de tankinhoud wordt verzorgd door twee tankvlotterelementen, die los van elkaar verbonden zijn met het instrumentenpaneel. Elk tankvlotterelement is met een eigen massa (analoge massa) en een sensorkabel (analoge plus) met het instrumentenpaneel verbonden. De onderling verschillende bepalingen van het vulniveau voor elke tankhelft worden via de codeergegevens aangepast. De weergave geschiedt in een percentage van de totale inhoud van de beide tankhelften.
Voor het aansturen van de -waarschuwingslamp bevindt zich geen reservecontact in de niveausensor. De tankreserve-waarschuwingslamp wordt afhankelijk van de tankinhoud door vergelijking met een reserve-drempelwaarde ingeschakeld. Als informatie voor het motormanagement wordt de tankinhoud als telegram op de CAN-bus ter beschikking gesteld. Als controle op de werking wordt bij het inschakelen van klem 15 (Pre-Drive-Check) de tankreserve-waarschuwingslamp ingeschakeld.
Als het instrumentenpaneel een storing in het stroomcircuit van één of beide tankvlotterelementen herkent, geschiedt de verdere aansturing van de aanwijzing van de brandstofmeter met behulp van het verbruikssignaal. Als het contact wordt afgezet en weer aangezet, geeft de brandstofmeter een lege tank aan en wordt de tankreserve-waarschuwingslamp ingeschakeld als in het stroomcircuit van één of beide tankvlotterelementen weer een storing wordt ontdekt.