Het instrumentenpaneel ontvangt van de motorregeleenheid via de CAN-bus de actuele koelvloeistoftemperatuur. De informatie "koelvloeistoftemperatuur" wordt vervolgens naar de carrosseriebus (K-bus ) gestuurd.
De informatie "koelvloeistoftemperatuur" wordt door het instrumentenpaneel verwerkt en door de koelvloeistoftemperatuurmeter aangegeven. De aanduiding wordt hierbij zo aangestuurd, dat ongeveer drie gebieden (koud, correct, te warm) ontstaan. Als de wijzer de rand van het rode waarschuwingsgebied bereikt, wordt hij naar het midden van het rode waarschuwingsgebied verplaatst.
Omdat de koelvloeistof na het afzetten van de motor nog enige tijd door deze wordt opgewarmd, wordt een stijgende aanduiding bij stilstaande motor door een "opwarmfilter" in de software van het instrumentenpaneel voorkomen. Hierdoor wordt bij het opnieuw starten van de motor een hogere temperatuur dan bij "motor afgezet" herkend, waardoor de bij "motor afgezet" opgeslagen waarde wordt weergegeven. Nadat de motor 20 seconden heeft gedraaid worden de actuele waarde aangegeven.
De waarschuwingslamp voor een te hoge koelvloeistoftemperatuur wordt onafhankelijk van de wijzerstand van de koelvloeistoftemperatuurmeter door de motorregeleenheid via de CAN-bus aangestuurd. Bovendien wordt de "opwarmfase" voor de waarschuwingslamp voor de koelvloeistoftemperatuur door de motorregeleenheid gecontroleerd.