De herkenning bandenpech (RPA) is een systeem dat de conditie van de banden tijdens het rijden controleert. Hiervoor worden de toerentallen van de vier wielen onafhankelijk van elkaar door de ABS-toerentalsensoren bepaald. Een in de DSC-regeleenheid geprogrammeerde berekeningslogica evalueert de ontvangen gegevens en geeft de informatie indien nodig aan de bestuurder door. Op deze wijze wordt de bestuurder over eventuele bandenpech geïnformeerd.
De herkenning bandenpech bestaat uit de volgende componenten:
De hoofdfunctie van het systeem is de bewaking van de bandenspanning onder het rijden. De te bewaken bandenspanning wordt door de bestuurder bepaald. Met de Reset-toets geeft hij het systeem opdracht om voor de gekozen wielen de geselecteerde bandenspanning als richtwaarde te gebruiken.
Treedt als gevolg van een luchtdrukverlies een toerentalverandering in een wiel op dan zendt de regeleenheid afhankelijk van drukafwijking signalen naar het bestuurder-informatiesysteem (signaallamp en gong).
De RPA onderscheidt 5 bedrijfstoestanden:
Na ”Contact Aan” schakelt de RPA na een zelftest naar de status ”Actief”. Komt de bandenspanning overeen met de door bestuurder ingestelde druk verminderd met een toelaatbare tolerantie, dan ontvangt de bestuurder geen melding.
E46 M3: De signaallamp brandt rood en een akoestisch signaal is hoorbaar M-Roadster en M-Coupe: De signaallamp brandt geel. De status ”Waarschuwing” (drukverlies van 45% +/- 5%) wordt gekenmerkt doordat de rijveiligheid niet langer gewaarborgd is. In de status ”Waarschuwing” kan het inleren niet plaatsvinden en de RPA niet inactief worden geschakeld. Door drukken op Reset-toets gedurende 4 seconden wordt de RPA weer in de status ”Actief” geschakeld.
De signaallamp brandt geel. In de status ”Inactief” zijn alle RPA-functies stilgelegd. De status ”Inactief” wordt door kort drukken op Reset-toets bereikt. Nogmaals kort drukken op Reset-toets herstelt de status ”Actief” weer.
De signaallamp brandt geel. De status ”Storing” wordt veroorzaakt door een door de DSC-regeleenheid geregistreerde sensorstoring of door drukken op de Reset-toets langer dan 120 seconden. Bij ”Contact Aan” evenals bij de diagnosestart wordt de RPA weer actief en meldt vervolgens opnieuw bij een sensorstoring of bij een tijdsoverschrijding door het resettoets-signaal een storing.
Het inleren wordt gestart nadat de RPA-toets 4 seconden werd ingedrukt. Ter bevestiging brandt de signaallamp 12 seconden. Het inleren moet na elke correctie van de bandenspanning of na het band verwisselen plaatsvinden. De verantwoording voor de correct ingestelde bandenspanning berust bij de bestuurder. Het systeem kan geen vergelijkingscontrole uitvoeren. Het systeem is op zijn vroegst na 10 minuten in staat om een afname van 60% van de koude-luchtdruk te detecteren. Tijdens het inleren daalt het als bandenpech geregistreerde drukverschil tot 45% +/- 5%.
De signaallamp knippert geel. Bij nieuwe DSC-regelenheden zijn alle RPA-functies inactief. Door het starten van het inleren wordt het RPA-systeem geactiveerd.
De door de RPA gebruikte sensoren worden reeds allemaal door het ABS en DSC bewaakt. Wordt door het ABS en DSC een storing geconstateerd, dan meldt ook de RPA een storing.
Aanvullende registraties in het storingsgeheugen worden veroorzaakt door de volgende gebeurtenissen: