Zowel bij de handbediende kap (basisuitrusting) als bij de automatische kap (speciale uitvoering) wordt de klep van de opbergruimte door de basismoduul van de centrale carrosserie-elektronica (ZKE) ver- en ontgrendeld.
Bij de automatische kap wordt de klep van de opbergruimte daarnaast ook nog door een hydraulische cilinder geopend of gesloten. Bij de handbediende kap moet de klep van de opbergruimte na het ontgrendelen met de hand worden geopend.
De klep van de opbergruimte wordt ontgrendeld als de basismoduul van de centrale carrosserie-elektronica via de K-bus van de moduul cabriokap het commando ”Klep van opbergruimte ontgrendelen” ontvangt. Na ontvangst van het commando ”Klep van opbergruimte vergrendelen” wordt de klep vergrendeld.
De ontgrendeling vindt plaats door drukken op de toets ”Klep van opbergruimte ontgrendelen” in de schakelaarcentrale in de middenconsole. Het signaal wordt via een draad naar de basismoduul van de ZKE gestuurd.
Het aantrekken en vergrendelen wordt uitgevoerd door sluiten van de klep van de opbergruimte en licht indrukken van de klep van de opbergruimte in een van de sloten van de klep (links of rechts). In elk van de sloten is een schakelaar (hallsensor) geïntegreerd, die herkent, wanneer de slotbeugel in het slot van de klep ligt en geeft dit door aan de basismoduul. De basismoduul activeert de aandrijving van de klep van de opbergruimte.
Wanneer tijdens het rijden (snelheid > 4 km/h) de klep van de opbergruimte loskomt, zodat één van de schakelaars wordt geactiveerd, dan wordt de klep opnieuw dichtgetrokken.
Bij de handbediende kap is voor de ontgrendeling van de klep van de opbergruimte een toets in de schakelaarcentrale in de middenconsole aangebracht. Daarnaast is in de schakelaarcentrale de schakelaar voor het bepalen van de stand van de onderkant van de opbergruimte aangesloten.
Wanneer de onderkant van de opbergruimte niet omlaag is gebracht, is ontgrendelen van de klep voor de opbergruimte niet mogelijk. In de toets in de schakelaarcentrale brandt dan de groene LED wanneer de toets wordt ingedrukt. Er wordt zo een signaal aan de gebruiker gegeven dat de onderkant van de opbergruimte nog moet zakken.
Voorwaarden voor het ontgrendelen van de klep van de opbergruimte zijn:
Omdat de achterklep en de klep van de opbergruimte niet tegelijkertijd geopend kunnen zijn (de kleppen kunnen elkaar raken) is bij geopende klep van de opbergruimte ver- en ontgrendelen van de achterklep niet mogelijk.
De vanghaken van de sloten voor de klep van de opbergruimte worden via bowdenkabels geopend en gesloten. De bowdenkabels zijn met het draaimechanisme van de aandrijving verbonden. De aandrijving wordt via een relais door de basismoduul aangestuurd.
De elektromotor draait alleen maar rechtsom. Via een positieschakelaar aan de motor (hallsensor) herkent de basismoduul de stand van de aandrijving. Bij 0 graden (resp. 360 graden) staat het mechanisme in de stand ”Klep van opbergruimte vergrendeld” bij 180 graden in de stand ”Klep van opbergruimte ontgrendeld”. De basismoduul schakelt de aandrijving met een vertraging van ca. 100 ms uit, wanneer een standwissel wordt herkend.
Wanneer een positiesensor uitvalt, schakelt de basismoduul de aandrijving na ca. 5 seconden uit.
Voor het geval dat de elektrische functies voor de bediening van de klep voor de opbergruimte uitvallen, is een mechanische noodbediening aangebracht. De motor voor de klep van de opbergruimte moet hierbij met een inbussleutel met de hand worden verdraaid.