Elektrisch stuurslot

 

Herkennen van het ontgrendelingsverzoek

Procedure bij actieve EWS

Wordt een geldige sleutel in het contactslot ingestoken, dan meldt de EWS na succesvolle identificatie van de sleutel, "Geldige sleutel in contactslot" op de K-bus. Daarop begint de ELV de ontgrendelingsprocedure. Bij het normale verloop wordt de EWS door het ontgrendelen van de centrale vergrendeling en het daaruit resulterende signaal op de K-bus geactiveerd, en blijft gedurende 60 s in deze toestand.

Procedure bij EWS in sleep-mode

Wordt een sleutel in het contactslot ingestoken en gedraaid, dan wordt via een hallsensor, vanaf 10° tot 20° hoekverdraaiing, de draaiing van de ELV herkend. Verder draaien naar klem R wordt door een sper verhinderd. De ELV stuurt daarop het signaal "EWS-status vragen" op de K-bus en bekrachtigt daarmee de EWS. Het verdere verloop is als bij de actieve EWS.

Verloop bij defecte K-bus

Bij een defecte K-bus wordt ontgrendelen alleen op grond van de draaiherkenning in het contactslot ingeleid. De sper wordt hierbij vertraagd vrijgegeven, hetgeen door de bestuurder door haperen bij het draaien van de contactsleutel te voelen is. Een defecte K-bus wordt herkend, wanneer op het signaal "EWS-status aanvragen/vrijgeven" binnen 700 ms geen antwoord ontvangen is.

Verloop van de ontgrendeling

Voorwaarde voor het beginnen van de ontgrendeling is een accuspanning >9V.

De motor van de sperplaat wordt in de richting ontgrendelen aangestuurd. Het verlaten van de stand 'Vergrendeld' wordt via de hallsensor "Eindstandherkenning vergrendeld" herkend. De stand 'Vergrendeld' moet binnen 300ms verlaten zijn. Wordt deze tijd overschreden, dan moet een storing in de aansturing van de motor of in de motor aanwezig zijn, omdat in het mechanisme van de sperplaat een vrijloop geïntegreerd is, die een verdraaien tot deze stand ook toelaat, wanneer de stuurinrichting onder voorspanning staat.

Binnen 1000 ms na het aansturen van de sperplaat moet de hallsensor "Eindstandherkenning ontgrendeld" een signaal geven. Bij het overschrijden van deze tijd wordt weer naar de stand 'Vergrendeld' aangestuurd en een nieuwe ontgrendelingspoging wordt gestart. Maximaal worden drie ontgrendelingspogingen gedaan. Verdere pogingen worden pas bij een nieuw ontgrendelingsverzoek van de bestuurder, d.w.z. opnieuw draaien van de sleutel, of bij K-bus signaal "Geldige sleutel in het slot", gestart.

Na het bereiken van de eindstand "Ontgrendeld" wordt de motor geremd. Het anker van de borgingsmagneet is veerbelast en valt in een nok van de sperplaat. Hij houdt de sperplaat als een mechanische extra veiligheid in de stand "Ontgrendeld". Het vastzetten van de borgingsmagneet wordt door de "hallsensor borgingsmagneet" gemeld. Na een correct ontgrendelen en borgen van de sperplaat wordt het relais aangestuurd en daardoor de verbinding met de motor verbroken.

Starttoestemming

Is de ontgrendelingsprocedure compleet afgesloten, dan worden de volgende acties begonnen:

Extra veiligheidsmaatregelen voor bedrijfsklare auto

Door de volgende van de processor onafhankelijke functies wordt gewaarborgd, dat alleen bij correct ontgrendelde en beveiligde ELV kan worden gestart en dat tijdens het rijden vergrendelen niet mogelijk is:

Herkennen van de vergrendelingseis

- Normaal verloop

Wordt de contactsleutel in stand "0" teruggedraaid, dan wordt de sper gedurende zestien minuten aangestuurd. Daardoor wordt direct starten van de auto mogelijk. Wordt de sleutel uit het contactslot verwijderd, dan wordt door de EWS via de K-bus "Geen geldige sleutel in het slot" gemeld. De ELV test of klem 15, klem R en de draaiherkenning zijn inactief en de vergrendelingsprocedure begint.

Verloop bij defecte K-bus

Bij een defecte K-bus wordt niet vergrendeld. De bestuurder wordt van deze toestand op de hoogte gesteld door het vertraagd aansturen van de sper en het daarin resulterende haperen van de sleutel tijdens het starten.

Verloop van de vergrendeling

Voorwaarde voor het starten van de vergrendeling is een accuspanning >10V en het signaal "Auto staat stil". "Auto staat stil" betekent: De frequentie van het signaal van de wieltoerentalsensor (DFA_HL) is lager dan 18Hz.

Als eerste wordt de aansturing van het onderbreekrelais gestopt en daarmee de verbinding met de motor van de sperplaat gemaakt.

Vervolgens wordt de borgingsmagneet aangetrokken, die de sperplaat tijdens het rijden beveiligd heeft. Het verlaten van de stand 'Beveiligd' wordt via de hallsensor van de borgingsmagneet herkend.

De motor van de sperplaat wordt in de richting vergrendelen aangestuurd. Het verlaten van de stand 'Vergrendeld' wordt via de hallsensor "Eindstandherkenning vergrendeld" herkend. De stand 'Vergrendeld' moet binnen 300ms verlaten zijn.

Binnen 700 ms na het aansturen van de sperplaat moet de hallsensor "Eindstandherkenning vergrendeld" een signaal geven. Na het bereiken van de eindstand "Vergrendeld" wordt de motor geremd. De aansturing van de borgingsmagneet wordt gestopt. Het veerbelaste anker ligt op de sperplaat.

Bij een opgetreden storing worden nog twee pogingen om te vergrendelen ondernomen. Verdere pogingen worden pas na een nieuwe startpoging ondernomen. Voor de vrijgave voor een nieuwe startpoging is voorwaarde, dat de ELV zich in een beveiligde ontgrendelingstoestand bevindt. In dit geval wordt de sper met twee seconden vertraging aangestuurd. De bestuurder wordt van deze situatie van de ELV op de hoogte gesteld door het daardoor bereikte haperen van de sleutel tijdens het starten.

Wanneer de ELV zich in een tussensituatie bevindt en niet in de beveiligde ontgrendelingsstand kan worden gebracht, kan niet worden gestart.

Sper

Voorwaarde voor het commando "Sper aansturen" is altijd, dat de ELV zich in een beveiligde ontgrendelingstoestand bevindt. De sper wordt opgeheven, wanneer zich een geldige sleutel in het contactslot bevindt. Bij een defecte K-bus wordt de sper ook vrijgegeven, wanneer een draaiing van de sleutel wordt herkend. (Contactsleutel hapert)

Sleep-Mode

Om de stroomafname van de ELV te verminderen, gaat de ELV onder bepaalde voorwaarden in een ruststand over.

Voorwaarden voor Sleep-Mode:

Wekcriteria:

Overbelastingszekering

Om overbelasting van de motor van de sperplaat en de borgingsmagneet te voorkomen, wordt een blokkering toegepast. Per vergrendelingsactie wordt een inwendige teller met één verhoogd en na bepaalde tijd weer met één verlaagd.

Wanneer de teller een bepaalde grenswaarde overschrijdt, dan wordt een vergrendelingsverzoek niet meer geaccepteerd.

Gedrag bij een botsing

Wanneer de ELV-regeleenheid van de regeleenheid airbag de melding “airbag-crash” ontvangt, dan komt de ELV in een “crash-mode”. In deze mode wordt niet meer vergrendeld.

Naijltijd bij defecte EWS-transponder

Wanneer de EWS-transponder tijdens het rijden uitvalt, dan moet ook na het in stand '0' draaien van de sleutel gedurende een in de EWS-regeleenheid gecodeerde tijd starten van de auto mogelijk zijn. Deze functie wordt op de volgende wijze gerealiseerd: