Motorolie-circuit

 

Door de sportieve instelling van de M5 resp. Z8 zijn hogere bochtsnelheden mogelijk en daardoor ook hogere krachten in dwarsrichting; tot 1,2 g (1,2-maal de zwaartekracht van de aarde). Door deze hogere krachten in dwarsrichting stroomt de motorolie in een bocht naar de buitenzijde van de motor, en dan vooral in het kleppendeksel en het oliecarter.

Daarom wordt bij de S62-motor een speciaal oliesysteem met drie oliepompen toegepast.

De hoofdoliepomp zorgt voor de benodigde motoroliedruk en zo voor de smering van de motor. Afhankelijk van de actuele rij-toestand pompen twee extra oliepompen de olie van de verzamelgebieden naar het aanzuiggebied van de hoofdoliepomp. Elke extra oliepomp heeft twee aanzuigleidingen, die in het rechter en linker deel van het oliecarter uitmonden. Speciale omschakelkleppen schakelen de betreffende aanzuigleiding desgewenst in. Vanaf een dwarsversnelling van ca.0,9 g wordt de enkelzijdige aanzuiging van de olie bijgeschakeld. Het signaal wordt via de CAN-bus door de dynamische stabiliteitscontrole DSC aan de DME-regeleenheid overgedragen, die dan de desbetreffende omschakelkleppen aanstuurt.

Bij rechtuit rijden resp. een lagere dwarsversnelling dan ca. 0,9 g pompen de beide extra oliepompen de motorolie via de aanzuigleidingen naar het aanzuiggebied van de hoofdoliepomp.

Bij het groter worden van de dwarsversnelling (ca. 0,9 g) bij het rijden in een bocht schakelt een omschakelklep in, zodat de extra oliepompen telkens uit het kleppendeksel en het gebied van het oliecarter olie pompen dat gelegen is aan de buitenzijde van de motor.