Reparatie-aanwijzing aannemelijkheid sensoren van de airconditioning
Aannemelijkheid sensoren van de airconditioning controleren
Voorwaarde
- Gereedhouden van een thermometer met digitale weergave.
- De controle in een geschikt gedeelte van de werkplaats met een omgevingstemperatuur tussen 20 °C (68 °F) en 30 °C (86 °F) uitvoeren.
Koelmiddeldruksensor
Koelmiddeldruksensor als volgt controleren.
- Motor stationair laten draaien.
- Airconditioning uitschakelen.
- Weergave koelmiddeldruksensor in de testmoduul aflezen, stelt een druk in rust in.
- MAX-toets indrukken.
- De weergave van de koelmiddeldruksensor in de testmoduul in de gaten houden, de waarde moet stijgen.
Temperatuursensor verdamper
Temperatuursensor verdamper als volgt controleren.
- Motor stationair laten draaien.
- Airconditioning uitschakelen.
- Weergave verdampertemperatuursensor in de testmoduul in de gaten houden, deze stelt een verdampertemperatuur in.
- MAX-toets indrukken.
- De weergave van de verdampertemperatuursensor in de testmoduul in de gaten houden; de waarde moet afnemen.
Buitentemperatuursensor
Buitentemperatuursensor als volgt controleren.
Attentie
Als de auto vanuit een koude in een warme omgeving wordt neergezet, volgt de aanpassing van de buitentemperatuur met een vertraging! Een snelle aanpassing van de temperatuurwaarde volgt pas vanaf een snelheid van 80 km/h.
- De buitentemperatuur met een thermometer meten.
- De gemeten temperatuur vergelijken met de weergave van de buitentemperatuursensor in de testmoduul. De waarden moeten ongeveer gelijk zijn.