Dynamic Drive

Dynamic Drive voorkomt resp. verminderd de bewegingen in dwarsrichting van de auto bij het rijden in bochten. Het trillingscomfort wordt vergroot en het stuurgedrag van de auto wordt geoptimaliseerd.

Beknopte beschrijving van het onderdeel

Regeleenheid

De functies van de regeleenheid worden via microprocessors uitgevoerd. De spanningsvoorziening vindt plaats via klem 30 (gezekerd met 10A). De regeleenheid wordt geactiveerd via de wekdraad (klem 15).

Kleppenblok

In het kleppenblok zijn de volgende kleppen geïntegreerd:

Het kleppenblok bevindt zich in de wielkast rechtsvoor aan de A-stijl. Het kleppenblok heeft de volgende taken:

De vloeistoftoevoer naar de zwenkmotoren gebeurt via twee drukregelkleppen (telkens een voor de voor- en achteras). In verhouding is de druk aan de zwenkmotor van de vooras groter dan of gelijk aan de druk aan de zwenkmotor van de achteras.

Meting van de werkelijke drukwaarden van de hogedrukvloeistof: aan de uitgangen van het kleppenblok bevinden zich een druksensor voor de zwenkmotor van de vooras en een druksensor voor de zwenkmotor van de achteras.

De draairichting van de beide zwenkmotoren wordt via een gemeenschappelijke richtingsklep bepaald. De positie van de richtingsklep wordt via een schakelstandherkenningssensor (SSE) herkend en gecontroleerd.

Overschakeling naar de failsafe-toestand bij uitvallen van de spanningsvoorziening resp. bij waargenomen storingen in het systeem: De vooraszwenkmotor is in dichte stand gesloten. Via de terugslagkleppen kan uit de reservoirleiding worden nagezogen.

Sensor dwarsversnelling

De gemeten dwarsversnelling is de belangrijkste meetgrootheid voor het functioneren van de Dynamic Drive. Het nulpunt van de sensor dwarsversnelling kan via een diagnosecommando door de regeleenheid Dynamic Drive ingeleerd worden.

Druksensoren vooras-/achterasstabilisator

De druksensoren bevinden zich aan het kleppenblok. De nulpuntwaarden van de druksensoren worden via diagnosecommando's door de regeleenheid Dynamic Drive ingeleerd.

Schakelaarstandsensor

De schakelaarstandsensor bevindt zich aan het kleppenblok en dient ter herkenning van de stand van de richtingsklep.

Drukregelkleppen

De drukregelkleppen bevinden zich in het kleppenblok. De kleppen worden elektrisch aangestuurd. Zij stellen de actieve druk in voor de voor- en achterasstabilisator. Bij recht vooruit rijden zijn de drukregelkleppen stroomloos. De olie kan vrij doorstromen naar het reservoir. Bij rijden in bochten worden de kleppen van stroom voorzien, de druk in de zwenkmotoren stijgt en wordt afgesteld op een richtwaarde.

Richtingsklep

De richtingsklep bevindt zich in het kleppenblok. Hij wordt elektrisch aangestuurd. De klep bepaalt de richting van de systeemvloeistof bij bochten naar links resp. rechts. De positie van de richtingsklep wordt via een schakelstandherkenningssensor (SSE) herkend gecontroleerd.

Failsafe-klep

De Failsave-klep bevindt zich in het kleppenblok. Hij wordt elektrisch aangestuurd en sluit stroomloos de zwenkmotor van de vooras af.

Terugslagkleppen

De terugslagkleppen bevinden zich in het kleppenblok. Zij maken nazuigen van vloeistof mogelijk en verhinderen zo cavitatie in de zwenkmotor.

Actieve rolstabilatoren

De actieve rolstabilisatoren zijn in het midden verticaal verdeeld. De actieve rolstabilisator bestaat uit de zwenkmotor en de aan de zwenkmotor gemonteerde stabilisatorhelften met opgeperste wentellagers. De zwenkmotoras en het zwenkmotorhuis zijn telkens met een helft van de stabilisator verbonden. In de zwenkmotor zijn steeds de twee tegenover elkaar liggende kamers met elkaar verbonden. Hierin heerst steeds dezelfde druk. Via een aansluiting worden twee kamers voorzien van hogedrukvloeistof, de beide andere kamers zijn via de retourleiding verbonden met het reservoir. Door de verschillend hoge drukwaarden ontstaan verschillend grote krachten. Daardoor ontstaat een draaimoment, dat de as tegenover het huis verdraait. Omdat de ene helft van de stabilisator is verbonden met de as en de andere helft met het huis, verdraaien de stabilisatorhelften ten opzichte van elkaar. Het hierdoor verkregen stabiliseringsmoment gaat de rolbewegingen tegen. De systeemdruk kan maximaal 180 bar bedragen.

Tandempomp

De tandempomp voedt het vloeistofcircuit van de Dynamic Drive en van de stuurbekrachtiging. De pomp bestaat uit een radiaal zuigergedeelte voor het Dynamic Drive System en een schottengedeelte voor de stuurbekrachtiging. De Dynamic Drive en de stuurbekrachtiging beschikken over een gemeenschappelijke vloeistofkoeler en reservoir.

Oliereservoir

In het vloeistofreservoir zijn een filter en een vloeistofpeilsensor geïntegreerd.

Oliepeilsensor

De vloeistofpeilsensor bevindt zich in het vloeistofreservoir. Indien het vloeistofpeil onder het minimumniveau komt, wordt een signaal gegeven aan de regeleenheid van de Dynamic Drive.

Oliekoeler

De vloeistofkoeler houdt de vloeistoftemperatuur onder 120 graden Celsius. De vloeistoftemperatuur mag gedurende korte tijd tot maximaal 135 graden Celsius stijgen. De vloeistoftemperatuur is een belangrijk kengetal voor de ingebruiknameprocedure van het gehele systeem. De ingebruiknameprocedure (via een diagnosecommando) mag niet worden uitgevoerd bij extreme temperaturen (omgevings- en systeemtemperatuur).

Belangrijkste functies

Systeemfunctie Dynamic Drive

De Dynamic Drive stuurt onafhankelijk van de dwarsversnelling twee actieve rolstabilisatoren aan. Daardoor worden slingerbewegingen van de carrosserie bij het rijden in bochten en als gevolg van rijden op slecht wegdek verminderd.

De regeleenheid van de Dynamic Drive berekend uit de ingangssignalen hoe de zwenkmotoren moeten worden aangestuurd. De ingangssignalen worden bovendien op hun aannemelijkheid gecontroleerd en gebruikt voor de bewaking van het systeem.

De regeleenheid van de Dynamic Drive ontvangt de volgende ingangssignalen: Druk in het voorascircuit, druk in het achterascircuit, positie schakelstandherkenning, dwarsversnelling, niveau vloeistofreservoir. Het hoofdregelsignaal is de dwarsversnelling. Bovendien worden PT-CAN-signalen beoordeeld: dwarsversnelling, gierhoeksnelheid, rijsnelheid, stuurwielhoek. Via deze extra informatie wordt de reactietijd van het systeem verbeterd.

De uitgangen van de regeleenheden zijn kortsluitingbestendig uitgevoerd: Drukregelklep voor voor- en achteras, richtingsklep, failsafe-klep en 5 Volt spanningsvoorziening van de 4 sensoren (dwarsversnelling, druksensoren voor-/achterascircuit en schakelstandsensor).

De distributie vindt plaats via een stroomregeling (pulsbreedte gemoduleerd signaal). Via PT-CAN wordt aan de DME resp. DDE van de motor medegedeeld of extra vermogen nodig is. Alleen zo kan het opgenomen vermogen, b.v. bij stationair draaien, tijdens de ingebruiknameprocedure gewaarborgd worden.

De Dynamic Drive is bij stilstaande auto niet actief, alle kleppen zijn stroomloos. Bij stilstaande auto worden dus door de actieve rolstabilisatoren geen momenten gegenereerd. Een scheefstaande auto (bijv.: trottoir of ongelijkmatige belading) heeft ondanks een meetbare dwarsversnelling geen regeling tot gevolg. Vanaf circa 15 km/h is de Dynamic Drive volledig actief.

Servicefuncties

Ingebruikneming

De ingebruiknameprocedure moet altijd na het openen van de systeemhydraulica, dus na alle werkzaamheden aan kleppenblok, zwenkmotoren en leidingen worden uitgevoerd. Na het coderen of programmeren van de Dynamic Drive regeleenheid is bovendien een ingebruikneming noodzakelijk.

Attentie: Omdat de auto gedurende de ingebruiknameprocedure zeer sterke en snelle slingerbewegingen uitvoert, mogen er zich geen personen vlakbij de auto ophouden, met name niet in de buurt van bewegende delen van het chassis. Er mogen geen voorwerpen onder de auto of in de wielkasten aanwezig zijn! De ingebruikname mag uitsluitend worden uitgevoerd, wanneer de auto met alle wielen op een stevige, egale ondergrond staat. De ingebruikname mag beslist nooit worden uitgevoerd op hefbruggen, wieluitlijnapparatuur, schokdempertestbanken, remtestbanken, vermogenstestbanken, etc. Indien deze punten niet in acht worden genomen, bestaat levensgevaar!