Regeling van de brandstofopvoerdruk

Regeling van de brandstofopvoerdruk

De brandstofvoorziening van de 6-cilinder-dieselmotor M57TU2 in de E70 wordt verzorgd door een drukgeregeld systeem.

Beknopte beschrijving van het onderdeel

De volgende onderdelen voor het opvoersysteem worden beschreven:

DDE-regeleenheid

De regeling van de brandstofopvoerdruk is in de DDE-regeleenheid geïntegreerd Via de brandstof-druk-temperatuursensor registreert de DDE de actuele druk in het opvoersysteem. Uit meerdere ingaande waarden bepaalt de DDE de regelwaarde, die voor de inregeling van de opvoerdruk nodig is. De opvoerdruk wordt op een druk van 4,8 - 5,0 bar afgeregeld.

De voor de bepaling van de regelwaarde relevante ingaande waarden zijn:

De regelwaarde wordt in de vorm van een CAN-bericht aan de brandstofpompregeling gestuurd.

Brandstofdruktemperatuursensor

De brandstofdruktemperatuursensor meet de actuele werkelijke druk in het opvoersysteem en geeft het signaal door aan de DDE-regeleenheid. Voor verdere functies in de DDE wordt via de brandstofdruktemperatuursensor ook de brandstoftemperatuur gemeten.

Aansturing elektronische brandstofpomp

De brandstofpompregeling ontvangt de regelwaarde van het regelcircuit van de DDE als CAN-bericht. De waarde van het CAN-bericht wordt in de brandstofpompregeling via een referentielijn in een spanning omgezet. Met deze spanning wordt de elektrische brandstofpomp door de brandstofpompregeling aangestuurd.

Brandstoffilterverwarming

Het brandstoffilter wordt indien nodig met een elektrische verwarmingselement verwarmd. De DDE schakelt de brandstoffilterverwarming via het signaal S_KSH in en uit. Onder de volgende omstandigheden wordt de brandstoffilterverwarming ingeschakeld:

Onder de volgende omstandigheden wordt de brandstoffilterverwarming weer uitgeschakeld:

elektrische brandstofpomp

De elektrische brandstofpomp wordt door de brandstofpompregeling met een spanning van 6,5 - 15 V aangestuurd.

Aanwijzingen voor de service

Diagnose-aanwijzing

De regeling van de opvoerdruk wordt door de DDE gecontroleerd. Storingen die door regelafwijkingen optreden, worden in het storingsgeheugen van de DDE opgeslagen.

De aansturing van de elektrische brandstofpomp wordt door de brandstofpompregeling gecontroleerd. Daarbij optredende storingen worden in het storingsgeheugen van de brandstofpompregeling opgeslagen.

Bij het inschakelen van klem 15 wordt de elektrische brandstofpomp niet aangestuurd. De elektrische brandstofpomp wordt pas bij het inschakelen van de startmotor aangestuurd.