In de S54 motor is een regelaar voor het stationair toerental gemonteerd, die is uitgevoerd in de vorm van een klep. Dit onderdeel bevindt zich onder het inlaatgedeelte. Er bestaan drie elektrische draden waarvan de draden T_LLFS5 (regelen: ”Klep open”) en T_LLFS0 (regelen: ”Klep gesloten”) de regeling verzorgen, en de draad U_HR<2 de voeding verzorgt. Een signaal op de stuurdraden heeft bij een correcte werking het openen en sluiten van de klep tot gevolg. Een handmatige manipulatie van de klep is verboden.
De stelmotor stationair toerental neemt meerdere taken over en is daarmee een belangrijke component in het inlaattraject van de motor.
Geringe hoeveelheden valse lucht, de bijv. door lekkende harmonicabalgen/flenzen of onderling verschillende luchtspleten bij de gasklep optreden, kunnen tot een bepaalde graad via de stelmotor stationair toerental worden gecompenseerd.
Tijdens de afremfase op de motor opent de stelmotor stationair toerental steeds verder en sluit pas kort voor het bereiken van het stationair toerental. Daardoor wordt een hoog vacuüm in het inlaatspruitstuk en een blauwe rook (oliedamp afzuiging via klepsteelcups) voorkomen.
De stelmotor stationair toerental geeft bij het starten van de motor een openingsdoorlaat vrij, de voorbij de van het stationair toerental ligt. De motor springt daardoor beter aan.
Pas bij hogere toerentallen worden de gaskleppen aangestuurd en geven hierdoor een grotere opening voor de aanzuiging van verse lucht naar de zes cilinders vrij.
Om ervoor te zorgen dat ook bij lage toerentallen (d.w.z. gaskleppen overwegend gesloten) voldoende onderdruk voor de rembekrachtiger wordt opgebouwd, is een afzonderlijke zuigstraalpomp aanwezig (zie de betreffende functiebeschrijving).
De stelmotor stationair toerental heeft een noodstand-openingshoek, de bij uitvallen van de stroomvoorziening bepaalde nooddraai-eigenschappen gegarandeerd.