De interieurbeveiliging is een bewegingsmelder op basis van een ultrasoon signaal, die bewegingen in het interieur van de wagen herkent en aan basismoduul 5 meldt.
De interieurbeveiliging is in de hemelbekleding gemonteerd.
In de regeleenheid interieurbeveiliging is een zendantenne geïntegreerd, die een ultrasoon veld in de auto opwekt. De reflecties worden door de ontvangstantenne in de regeleenheid geregistreerd en ter analyse aan de geïntegreerde elektronica doorgegeven.
Bewegingen in de auto veranderen de reflecties en laten basismoduul 5 het alarm activeren.
Om verzekeringstechnische redenen (landafhankelijk) moeten altijd alle zijruiten gesloten zijn. Dit vermindert ook het gevaar van een vals alarm, bijv. door personen die tegen de auto leunen.
Grote metalen voorwerpen (bijv. metalen koffers) schermen de ultrasone golven af. Dit leidt ertoe dat in bepaalde bereiken, door schaduwwerking, de alarminstallatie 'blind' is.
Bij geopende zijruiten kan het alarm afgaan door de volgende omstandigheden:
Wanneer het alarm ingeschakeld is geweest, wordt dit in het alarmgeheugen van de basismoduul opgeslagen.
De interieurbeveiliging wordt door basismoduul 5 via de draad STDWA bij het activeren van de diefstalbeveiligingsinstallatie (DWA) geactiveerd en met deactiveren buiten werking gesteld (dezelfde draad activeert en deactiveert ook de hellingshoeksensor en de sirene).
Na het activeren van de diefstalbeveiligingsinstallatie begint na 30 seconden de controle van het interieur. De controle van het interieur vindt niet plaats bij een geopend portier of kofferdeksel/achterklep. De controle van het interieur wordt onderbroken als de achterklep wordt geopend of bij het comfortsluiten van de zijruiten.
Als de regeleenheid interieurbeveiliging een inschakeling van het alarm herkent, dan wordt dit via de draad INRS of INRS2 aan de basismoduul doorgegeven.
Om een vals alarm bij ongunstige omstandigheden te voorkomen, kan de controle van het interieur bij een geactiveerde diefstalbeveiligingsinstallatie als volgt worden uitgeschakeld:
Na het activeren van de diefstalbeveiligingsinstallatie voert de regeleenheid interieurbeveiliging een zelftest uit. Als er hierbij een storing optreedt wordt dit via de draad INRS (regeleenheid interieurbeveiliging 1) gemeld. In de basismoduul wordt voor de defecte interierbeveiliging een storingsinvoer (weergave: interieurbeveiliging 1) opgeslagen.
Om vals alarm uit te sluiten wordt een defecte moduul niet geactiveerd.